Abram de Swaan: Hoe gewoon zijn gewone massamoordenaars?
Zelden bestaat er in de mensenwetenschap consensus, maar in dit geval heerst nagenoeg eenstemmigheid: gewone mensen onder buitengewone omstandigheden kunnen buitengewoon kwaad aanrichten. En dat is ook zo. Hannah Arendt, Stanley Milgram en Christopher Browning hebben het gezegd. Wat weggewerkt wordt in deze situationistische opvatting, is het verschil dat de persoonlijke aanleg en ervaringen van de afzonderlijke daders kunnen uitmaken. Daar wordt dan ook geen onderzoek naar verricht. Maar sommige mensen zijn meer dan anderen gedisponeerd om te verkrachten, te martelen en te moorden. 
Daders die onder dwang gerekruteerd zijn en onder strafdreiging hun beulswerk verrichten zullen minder verschillen van hun gemiddelde landgenoten dan daders die zich zelf hebben aangemeld en die kunnen kiezen om ermee op te houden. In welke opzichten wijken daders, naarmate ze vrijwilliger zijn, af van de meeste andere mensen?
Op het oog leven heel weinig daders na hun genocidale periode met emotionele conflicten of gewetenswroeging, zij lijken goede collega‚Äôs en huisvaders, in alle gemoedsrust.  Dat is opmerkelijk, misschien te opmerkelijk. Zou er sprake kunnen zijn van individuele ontkenning binnen een samenleving die wordt beheerst door een collectieve loochening van de voorafgaande genocidale episode? 
Zolang zich nog geen volwaardig alternatief voordoet is de psychoanalytische traditie onmisbaar voor een beter begrip van de daders, maar tegelijk is ze slechts beperkt bruikbaar buiten de psychoanalytische setting.


Prof.dr. Abram de Swaan is emeritus hoogleraar sociale wetenschap aan de UvA en praktiseerde van 1973 tot 1984 als psychoanalytisch psychotherapeut (zie verder 
hier). In zijn meest recente boek staat het kwaad centraal, Compartimenten van vernietiging.