Salvador Dali: Persistance de la memoire

Auteur: Mark Leegsma (hoofdredacteur i-filosofie)

Kritieken van de psychiatrische rede

Er bestaat een op het eerste gezicht oppervlakkige analogie tussen tijd en waanzin die de naam draagt van Sint Augustinus – de kerkvader, theoloog en filosoof uit de vierde eeuw na Christus.  Als deze zich in zijn Bekentenissen over de vraag buigt, wat tijd is, merkt hij op dat ‘wanneer maar niemand het me vraagt, ik het weet; maar wanneer iemand me vraagt het uit te leggen, ik het niet weet.’ Vervangen we in Augustinus’ vraag nu ‘tijd’ door ‘waanzin’, dan kan ons niet ontgaan dat de erop volgende verzuchting niets aan waarheid inboet. Tijd en waanzin zijn beide grensfenomenen die zich beide wezenlijk tegen al onze pogingen verzetten om ze in begrippen te vangen. De grens waarvan? Die van het discursieve denken en kennen, van de rede zelf. Dat maakt waanzin tot een probleem van de rede: een filosofisch probleem.


Grenzen trekken 

In het tijdperk van de moderne psychiatrie – en in het bijzonder dat van de DSM – is het geen Spielerei om met filosofie te schermen. Dat heeft alles te maken met de statistische rede van de Manual. Aangezien die het begrip van psychische stoornissen beperkt tot correlaties tussen symptomen, ziet ze, omgekeerd, af van de theoretische verklaring van de oorzaken van die stoornissen. Dat betekent dat de DSM de psychiater in het geval van de waanzin, of liever gezegd de diagnostische categorie van de schizofrenie, met lege handen laat staan. De vraag, of de zogeheten prodromale, positieve, negatieve en restsymptomen werkelijk één syndroom vormen waar één oorzaak aan ten grondslag ligt, is namelijk geen andere dan de vraag of we er überhaupt iets van snappen. Op deze vraag naar een redelijke, causale verklaring moet de DSM het antwoord schuldig blijven. Nu zou het flauw zijn het de Manual aan te rekenen dat er op dit moment geen bevredigende wetenschappelijke verklaring voorhanden is. Dat is ook het punt niet. Eerder noodt dit gebrek de psychiatrie zich af te vragen hoe schizofrenie zich verhoudt tot het ‘normale geval’, oftewel hoe wordt überhaupt de grens getrokken tussen wat een stoornis en wat geen stoornis is? En dan zijn we al bijna bij de vraag: hoe zit het met de grens tussen rede en waanzin? Hier is filosofie geen vrijblijvende Schweberei meer, maar treft ze de rechtvaardiging van de psychiatrische discipline zelf.


Filosofie en waanzin

Het is even onwaarschijnlijk als gelukkig dat twee-en-half jaar geleden ongeveer tegelijk twee boeken verschenen waarin niet alleen de vraag naar de grensbetrekkingen tussen waanzin en filosofie centraal staat, maar die bovendien elkaars spiegelbeeld vormen: Filosofie van de waanzin van de Nederlandse filosoof, taalwetenschapper en ‘ervaringsdeskundige’ Wouter Kusters en Der Wahnsinn der Philosophie van de Zwitserse psychiater, psychoanalyticus en filosoof Daniel Strassberg. Laten we, alvorens de vraag te beantwoorden, waarom deze onwaarschijnlijkheid tevens een geluk is, eerst een blik op de werken zelf werpen.

In Filosofie van de waanzin is het Kusters erom te doen een toenadering van de filosofie tot de waanzin te bewerkstelligen, daartoe overigens gemotiveerd door onvrede over de medicalisering van waanzin en het daarmee samenhangende en hierboven geconstateerde gebrek aan begrip in de psychiatrie voor de waanzin. Tegen deze trend zet Kusters de filosofie in op drie verschillende maar nauw verbonden manieren. Allereerst stelt hij gangbare typeringen van waanzin als een gebrek aan bijvoorbeeld werkelijkheidsbesef of tijdsbeleving aan de kaak door de common sense van werkelijkheid en tijd filosofisch te analyseren. Het resultaat van die analyses stelt hem in staat afstand te nemen van het ziektemodel en daar een kwalitatieve benadering van waanzin als een andere ervaring voor in de plaats te stellen. Is er eenmaal een positieve waanzinnige ervaring in zicht, dan bestaat Kusters’ volgende stap er haast vanzelfsprekend in die ervaring zelf fenomenologisch, van binnenuit, te beschrijven. Niet alleen de fenomenologische psychiatrie, maar ook (auto)biografisch materiaal van naar verluidt waanzinnige denkers, onder wie Kusters zelf, brengen filosofie en waanzin dan dichter bij elkaar. Het verschil tussen de twee wordt uiteindelijk minimaal, betoogt Kusters, waar oneindigheid, wereld, zelf en tijd – de analogie van hierboven is minder oppervlakkig dan ze in eerste instantie leek – in het geding komen. Juist omdat deze zaken zich niet laten objectiveren, houdt de kritische scheiding van begrip en object, van denken en ervaren, niet stand. Daar waar filosofie en waanzin ontgrensd zijn, is de toenadering rechtens en feitelijk compleet.    

Zo neemt Wouter Kusters afstand van een opvatting die waanzin beschouwt als ‘datgene dat moet worden bedwongen, uitgesloten of overwonnen’, wil er zoiets als redelijke, logische en wetenschappelijke beschrijving van de wereld mogelijk zijn. Het streven de waanzin uit te sluiten teneinde de rede van vaste grond onder de voeten te voorzien lijkt ironisch genoeg juist het vertrekpunt voor Daniel Strassberg te zijn. Dat verdient het echter meteen genuanceerd te worden. Strassberg wil in Der Wahnsinn der Philosophie niet zozeer een grens vaststellen tussen rede en waanzin, als wel een ‘geschiedenis van de grensbetrekkingen’ tussen de twee schrijven. Een geschiedenis is het juist, omdat elke poging tot een definitieve begrenzing blijkt te falen en daarom telkens tot nieuwe pogingen leidt: van Plato, via Bruno, Kant, Hegel en Nietzsche, tot Foucault en Deleuze. Waarom de begrenzing telkens faalt én telkens opnieuw wordt ondernomen, heeft één en dezelfde, epistemologische reden, betoogt Strassberg. Het is één ding om een rationeel systeem tot onze beschikking te hebben van begrippen, hun onderlinge relaties en onderscheidingen waar zowel onze taal als onze plek in de wereld, zowel de natuurlijke als de maatschappelijke, op terugvallen. Het is iets anders of dit systeem, dat intern volstrekt logisch kan zijn, op de werkelijkheid daarbuiten slaat. De grond onder elk redelijke denken en weten bevindt zich noodzakelijkerwijs buiten de orde van dat denken en weten en is dus, strict genomen, on-redelijk. Ziehier de epistemologische spagaat die volgens Strassberg de ‘motor van het Europese denken’ vormt: de rede wil zich van de waanzin onderscheiden, maar dreigt structureel door te draaien als zij haar grond niet vindt in iets wat buiten het gesloten systeem van rationele onderscheiden ligt, in een on-redelijke, on-eindige werkelijkheid waarvan we de ervaring, het bewustzijn of de openbaring doorgaans als ‘waanzin’ bestempelen. Willen we een grens vast kunnen stellen, dan moeten we over de grens heen – maar we kunnen slechts over de grens heen als er een grens is. Dát is de inconsistentie die met recht waanzin van de filosofie genoemd kan worden.


Begrenzing of ontgrenzing

Wat Kusters en Strassberg op zijn minst gemeen hebben, is hun streven de nabijheid van redelijk denken en waanzin te onderbouwen door zich de filosofie als het nec plus ultra van beide te laten tonen. Die nabijheid is onvermijdelijk, ook en juist voor de psychiatrie, als een objectieve verklaring ontbreekt en we vanuit eigen denken tot – hoewel niet per se in – de waanzin willen komen. Tegelijk zijn de twee werken te lezen als kritische reflecties op elkaar, voor zover de manieren waarop de toenadering wordt ingezet op cruciale punten van elkaar verschillen en elkaar misschien zelfs tegenspreken. Voor Kusters lijkt de inzet vooral de wederzijdse ontgrenzing van filosofie en waanzin te zijn. Het toegankelijk maken van de waanzinnige ervaring is daarbij niet meer een theoretisch dan een klinisch en ethisch doel. Strassberg echter problematiseert deze ontgrenzing vanuit een epistemologisch oogpunt. Het vervagen van de grens tussen rede en waanzin gaat zijns inziens gepaard met wegvallen van de grond onder onze kennis, met een wilde circulatie van slechts nog naar elkaar verwijzende woordsymbolen tot gevolg, kortom: een doorgedraaid systeem. Waarop Kusters uiteraard zou kunnen reageren met Strassbergs eigen kritische observatie dat een werkelijke grens werkelijk grensverkeer behoeft, dat alleen mogelijk wordt door helderder, filosofische onderscheiden in de waanzin te maken.

De vraag hoe ver we mee kunnen en mogen gaan in de waanzinnige ervaring, of we haar benaderen vanuit het oogmerk van begrenzing of juist van ontgrenzing, staat niet los van de grens tussen rede en waanzin zelf. Integendeel, onze benadering is bepalend voor waar wij de grens trekken. Dat Kusters’ filosofie van de waanzin en Strassbergs waanzin van de filosofie op dit punt met elkaar botsen, is dus een gelukkig ongeluk, omdat de kritische vragen over en weer de discussie verder brengen en ons veroorloven onze benadering nader en scherper te leren kennen. De spiegel van waanzin en filosofie, filosofie en waanzin, waarvan het komende symposium van de Stichting psychiatrie en filosofie gerust een viering genoemd mag worden, is dus allerminst een kwestie van ivoren-toren-wijsgerigheid. Ze treft de rechtvaardiging van de psychiatrische rede zelf.

--> Meer informatie over het filosofie en waanzin - symposium van 21 oktober, klik hier <--

--> Interview met Daniel Strassberg

--> Interview met Wouter Kusters

(c) Mark Leegsma