Daniel Strassberg was 21 oktober 2016 gastspreker, samen met Wouter Kusters, op het symposium "Filosofie en Waanzin", in Utrecht.

Daniel Strassberg werkt als psychoanalyticus en filosoof in Zürich en is auteur van "De waanzin van de filosofie. Doorgedraaide rede van Plato tot Deleuze", Zürich: Chronos Verlag, 416 pag. 47,50 euro. Hiermee won hij de ‘Missing Link’-prijs van 5.000 Zwitserse Frank, toegekend door het psychoanalytisch seminar van Zürich. Interview oorspronkelijk in 'Die Tageszeitung' (vert. Wouter Kusters)


Filosoof over waanzin in de rede: “Waanzin is geen probleem”
Daniel Strassberg laat zien hoe het irrationele zich altijd al midden in de rede heeft bevonden. Veel filosofen zijn zelf aan een waanzinnig soort denken ten prooi gevallen.

I: Hoe komt u bij uw opvatting dat de waanzin middenin de filosofische rede loert, en niet zoiets als haar ‘andere kant’ is?

DS: Allereerst moet je bedenken dat de waan van psychotische patiënten vaak op tamelijk irritante manier redelijk is. Zij zijn niet zozeer verward als wel hyperredelijk. Toen ik me ging bezighouden met de manier waarop filosofen over de waanzin schrijven, viel mij op, dat zij zelf in een soort denken vervallen, dat volgens hun eigen definitie waanzinnig zou moeten heten. De jonge Kant bijvoorbeeld definieert de waanzin als het product van de scheppende verbeeldingskracht, waaraan uiterlijke realiteit wordt toegekend. Als je dan vervolgens zijn begrippen van de rede - God, vrijheid, onsterfelijkheid - onderzoekt, waarop zijn filosofisch bouwwerk opgetrokken is, kan je vaststellen, dat deze overeenkomen met Kants eigen definitie van waanzin. Midden in zijn rationele filosofie duiken dus op een centrale plaats waanzinnige begrippen op, zelfs volgens zijn eigen bepaling.

I: Is daarmee de rede aangetast door de ziekte, waarvoor zij juist meende de therapie te zijn?

DS: Met diagnoses over hoe het met de rede gesteld is, zou ik voorzichtig zijn. Ik weet niet zeker of er een enkele vorm van rede is, of misschien niet eerder vele auteurs, die alle grondig redelijk denken, maar op verschillende manieren. Ik heb slechts auteurs onderzocht, die op een of andere manier met de waanzin iets te maken hebben, hetzij als thema van hun filosofie, hetzij omdat ze zelf waanzinnig geworden zijn. En ook dan is de bewering dat hun denken in de waanzin zou zijn beland te eenvoudig. Je ziet juist eerder een streven om de waanzin uit hun denken uit te sluiten. Maar meestal sluipt de waanzin zich dan ongemerkt door een achteringang opnieuw het denken binnen. Je zou ook kunnen zeggen dat een motor van hun denken de beweging van insluiting en uitsluiting is. 

I: In hoeverre is deze beweging te veralgemeniseren? Is er een filosofisch denken dat zich kan onttrekken aan het probleem van de in- en uitsluiting van de waan? 

DS: Dat is een moeilijke vraag. Het hangt er van af hoe hoog je het begrip van het denken hangt. Ook iemand, die zich met de juiste staatsvorm, met ethische vragen en problemen bezighoudt, denkt. Echter, een denken dat zich met het geheel bezighoudt, zal zich ook met de waanzin uiteen moeten zetten. 

I: Wat is dat denken-van-het-geheel?

DS: Sinds oudsher probeert de filosofie de ordening van de wereld als geheel te begrijpen: volgens welke principes is ze opgebouwd, hoe functioneert ze? Een ordening vaststellen betekent ook altijd, grenzen trekken en daardoor iets uitsluiten. Wanneer je je kamer opruimt, weet je dat je geen orde krijgt wanneer je niet ook iets weggooit. Maar zodra je iets weggooit, heb je niet meer alles onder controle. Het filosofisch denken beweegt zich tussen de ordening en het al, en wordt tussen de totaliteit en de oneindigheid - zoals de Franse filosoof Emmanuel Levinas dat noemt - heen en weer gesmeten. Op deze plek komt de waanzin in het spel, als poging om tegelijkertijd orde vast te stellen én alles tot in de oneindigheid te denken.

I: Is de historische tendens om van het systeem af te keren richting de behandeling van enkele problemen wellicht de zelftherapie van de filosofie?

DS: Inderdaad is de tijd van de grote filosofische systemen voorbij. En daarmee is ook de waanzin geen actueel filosofisch probleem meer. Deze wordt tegenwoordig praktisch slechts vanuit neurobiologisch gezichtspunt bekeken. Zelfs de psychoanalyse heeft zich van de behandeling van psychotische patiënten afgewend. Overigens zou je deze wending in de filosofie die zich van de waanzin afkeert, ook op een andere manier kunnen begrijpen. Misschien is de waanzin geen probleem meer, omdat deze geheel is geabsorbeerd in de filosofie. 

I: Hoe bedoelt u dat?

DS: Wat vroeger als waanzin uitgesloten werd, heeft zich tegenwoordig in het denken verwerkelijkt. Slechts een voorbeeld: dat tekens niet naar dingen zouden verwijzen, maar naar andere tekens, gold vroeger als kenmerk van de waanzin. Maar sinds het postmodernisme is de voorstelling van een teken-netwerk, dat de wereld niet zozeer afbeeldt, maar haar juist schept, een grondinzicht van vele filosofen. Daarom kon Gilles Deleuze het schizofrene denken als voorbeeld noemen van een nieuw soort netwerk-achtig denken.