TBS: een omstreden fenomeen
Wanneer het in de samenleving gaat over criminaliteit, rechtspraak en (on)veiligheid, lopen de gemoederen regelmatig hoog op. Sinds de Amerikaanse president Nixon al in de jaren ’70 criminaliteit tot thema in de politiek maakte en rond 2000 Tony Blair dit in Engeland nog verder aanzette, zijn criminaliteit en (on)veiligheid niet meer weg te denken uit het politieke leven en handelen, en daarmee ut de publieke belangtelling. Het heeft geleid tot wat sociaalwetenschappers de veiligheidsparadox noemen: terwijl de criminaliteit de laatste decennia aantoonbaar is afgenomen is het onveiligheidsgevoel bij mensen juist toegenomen. De tolerantie voor risico en onveiligheid neemt steeds verder af in de samenleving en de publieke opinie. Een politicus die tegen deze beweging ingaat pleegt politieke zelfmoord, aldus Hans Faber in zijn boek over de tbs.
Als er één thema is binnen dit hele cluster dat de gemoederen nog hoger doet oplaaien, is dat het systeem van de tbs. Mensen die een (ernstig) delict plegen, maar ten tijde van het plegen van dit delict niet of verminderd toerekenbaar waren vanwege een aantoonbare psychiatrische stoornis, kunnen volgens de wet sinds 1928 niet, of verminderd verantwoordelijk gehouden worden voor hun daad. Hen kan dan een Maatregel, Ter Beschikking Stelling (tbs), worden opgelegd. In de praktijk betekent dit verplichte behandeling in een kliniek [i].
Bij een afgetekende en luidruchtige groep in de publieke opinie worden tbs’ers veelal gezien als monsters die eigenlijk de doodstraf zouden moeten krijgen, maar omdat dat niet mogelijk is, is levenslange opsluiting volgens hen het beste alternatief. Daarom wordt regelmatig gepleit voor het afschaffen dit dure systeem. Dat vele geld zou beter zijn besteed aan de zorg voor de slachtoffers van die gruwelijke delicten. Zij worden in het justitiële systeem, dat in essentie dadergericht is, veelal niet gezien. De slachtoffers hebben vaak levenslang, terwijl de daders ooit vrij komen. Een aantal tbs’ers is zich zeer bewust van het feit dat zij door deze groep zo bekeken worden. (Faber Systeemfouten, i.h.b. p 72-73, 97-98; Busato p. 167-168).
Wellicht zien we hier ook het spanningsveld weerspiegeld tussen een evolutionair gegroeide en diep verankerde behoefte in mensen aan bestraffing en wraak [ii] enerzijds en het moderne, sinds ongeveer 1800 bestaande justitiële systeem, dat bestraffing en wraak uit de handen van de burgers heeft genomen en tot een overheidszaak heeft gemaakt, anderzijds. Het lijkt er sterk op dat de culturele ontwikkeling, in dit geval vertegenwoordigd in het strafrecht, deze evolutionair gegroeide behoefte niet of slechts ten dele heeft kunnen vervangen. Hieraan lijkt Busato te refereren in zijn slotbeschouwing, Daar gaat hij in op wraakzucht als ‘een van de krachtigste menselijke emoties’, mede aan de hand van een essay van de psycholoog Frijda (p.167 e.v.).
Bij Wisse komt deze discussie over zin en onzin van de tbs slechts zijdelings aan de orde. Busato gaat in zijn inleidend hoofdstuk en slotbeschouwing al meer op deze discussie in. Hij benoemt met name de verschillen in recidivecijfers tussen tbs’ers en gewone gedetineerden en stelt dat het behandelen van gestoorde delinquenten een uitdrukking van beschaving is en dat het systeem van de tbs wel degelijk een bijdrage levert aan de beveiliging van de samenleving tegen psychisch ontspoorde mensen.
Faber bespreekt dit spanningsveld het meest diepgaand, mede gebaseerd op een proefschrift met de treffende titel: TBS-veroordeeld tot vooroordeel. Hij laat zien hoe de moeizame relatie tussen de samenleving en tbs-sector is geworteld in de ontstaansgeschiedenis ervan. Te weten de heropvoedingsgestichten voor kinderen vanaf 1905, die vervolgens werd uitgebreid naar inrichtingen voor volwassenen met de invoering van de psychopatenwet van 1928. Van meet af aan speelde in de discussie het spanningsveld van verantwoordelijkheid voor misdaad en dus bestraffing en vergelding enerzijds en heropvoeding van geestelijk en sociaal beperkte mensen anderzijds een grote rol. Deze discussie woekert tot vandaag door wanneer het gaat over het tbs-systeem. Volgens de wet is tbs geen straf maar een maatregel. Voor de tegenstanders van dit systeem is dat een probleem: je ontneemt mensen de verantwoordelijkheid voor hun daden. Terwijl de voorstanders en de meeste tbs’ers zelf die tbs wel degelijk zien en ervaren als een straf. Daarnaast noemt Faber als redenen voor dit spanningsveld tussen tbs-systeem en samenleving de calamiteiten met tbs’ers, zoals de twee moorden door tbs’ers op (proef)verlof in 2004, het gegeven dat deze sector een speelbal is van sentimenten in politiek en media en last but not least de beeldvorming in films als TBS met Theo Maassen uit 2008 en The silence of the lambs uit 1991.
Wellicht het belangrijkste argument tegen de tbs luidt: TBS’ers mogen dan wel vaak zijn opgegroeid in moeilijke of zelfs ronduit slechte omstandigheden zoals disfunctionele gezinnen, disfunctionele tehuizen , met ervaringen van misbruik en/of mishandeling, er zijn ook veel mensen met dezelfde ervaringen die niet tot zulke gruwelijke delicten komen. Zelf afkomstig uit een emotioneel onveilig gezin durf ik te stellen dat je met zo’n achtergrond aanzienlijk harder moet werken en goede mensen op je pad moet ontmoeten om toch iets van je leven te maken. Tevens durf ik de stelling aan dat de lijn tussen voor en achter de gevangenisdeur, die sowieso al ‘dun’ is, met dergelijke achtergronden nog aanzienlijk dunner is.
Elders heb ik betoogd dat de gevangenis een instituut is van de collectieve schaduw van de samenleving in de zin van Carl Jung [iii]. In dat licht vallen tbs-instellingen wellicht te typeren als de diepste en donkerste schaduwen van onze samenleving. Daarom vind ik de titel van het bovengenoemde proefschrift, ‘TBS -veroordeeld tot vooroordeel’ zo’n vondst. Alle drie de hier besproken auteurs geven daarvan in enige vorm blijk. Zij beschrijven hoe ze zich regelmatig verkijken op de mensen die zij daar ontmoeten en hoe dat het vertrouwen in hun beoordelingsvermogen ondermijnt. Faber wijdt er een heel hoofdstuk aan en spreekt in dit verband zelfs van een ‘mind*ck’. Wisse beschrijft zijn voornemen om een aantal psychologische tests te ondergaan die worden toegepast op tbs’ers en dat hij door collega’s wordt gewaarschuwd voor de mogelijk confronterende uitkomsten: bij vrijwel ieder mens komen uit dergelijke tests onverwachte en vooral ongewenste inzichten boven tafel. ‘Van uitstel kwam afstel’, schrijft hij.
Daarmee raken we aan het volgende thema van deze bespreking, de diagnostiek. Het gaat immers kort gezegd om de vraag: is iemand die misdaden pleegt gek of slecht? In tbs-terminologie: is iemand toerekenbaar, verminderd toerekenbaar of geheel ontoerekenbaar? Dat is in de praktijk vaak niet eenvoudig vast te stellen.
De diagnostiek
In de somatiek is diagnostiek al een complexe onderneming, zeker wanneer het gaat om onbekende en zeldzame aandoeningen. In zulke gevallen duurt het soms jaren voor de juiste diagnose wordt gesteld. Voor psychiatrische aandoeningen geldt dit in aanzienlijk hogere mate. In de relatief korte geschiedenis van de psychiatrie als wetenschap wordt dit regelmatig zichtbaar. Binnen de psychoanalyse zijn altijd verschillende stromingen geweest, mede daardoor kwamen psychoanalytici bij dezelfde patiënten regelmatig tot verschillende diagnoses. De vanaf de jaren ’80 in toenemende mate dominante diagnostiek in de psychiatrie op basis van het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, de DSM, was bedoeld om te komen tot meer eenduidige diagnoses. Daarbij werd de gedachte dat mentale stoornissen een oorzaak hebben in ons brein leidend. Echter, de praktijk bleek weerbarstig en er is toenemende kritiek op de diagnostiek die op deze basis tot stand komt, ook van een aantal psychiaters zelf. In Vlaanderen is de bekende psychiater Paul Verhaeghe een vertolker van deze kritiek [iv]. Recent is zelfs gesteld door enkele psychiaters, waaronder oud-medewerker aan een eerdere versie van de DSM, Jim van Os, dat diagnostiek op basis van de DSM vervangen moet worden door iets beters. Vooral door iets dat meer de persoonlijke situatie en ervaringen van de betreffende persoon verdisconteert [v].
Wisse gaat van de drie hier besproken auteurs op de meest fundamentele wijze in op de praktijk van de diagnostiek en merkt op: “Sociologen spreken van een zogenoemde ‘fundamentele attributie-fout’. Ze bedoelen daarmee de neiging om het gedrag van mensen vooral te verklaren vanuit hun psyche en persoonlijkheid, terwijl onderzoek uitwijst dat de omstandigheden vaak veel bepalender zijn.” Dit sluit aan bij het grote werk van de neurowetenschapper en primatoloog Robert Sapolsky, waarin hij met een biologische blik kijkt naar goed en kwaad in het menselijk gedrag. Op meerdere plekken herhaalt hij een zinsnede die neerkomt op: ‘bij alles geldt: context, context, context.’[vi] Hierop sluiten enkele andere opmerkingen van Wisse naadloos aan. ‘Een stoornis wordt vastgesteld op grond van bepaalde verschijnselen. Die worden niet vastgesteld in een CT- of MRI-scan, maar gewoon in iemands, door andere gerapporteerde en deels met testen onderzochte, sociale gedrag in bepaalde omstandigheden. De schuin gedrukte woorden zijn essentieel.’ En ook: ‘Voor de mogelijke mankementen in een mens hanteren we (…) (de zogenoemde DSM) waarmee we op basis van geconstateerde verschijnselen een stoornis kunnen vaststellen. Maar voor de context en voorgeschiedenis ontbreekt iets dergelijks. Er is geen handboek dat ons helpt of voorschrijft om omstandigheden als ge- of verstoord te classificeren. (…) En dus lijkt er geen andere plek voorhanden om de stoornis met naam en toenaam te lokaliseren dan in de zogenaamde psyche of persoonlijkheid van de dader.’
Busato wijdt een hoofdstuk aan de diagnose van één verdachte in de observatiekliniek voor het gevangeniswezen, het Pieter Baan Centrum (PBC). In deze beschrijving zie je hoe de observatoren worstelen met de concrete persoon van de verdachte en hun pogingen om zijn gedrag te vatten in de termen van de stoornissen, zoals die in de DSM gecatalogiseerd worden. Na zes weken komen ze tot het advies van een volle tbs. Dit is, in tegentelling tot een tbs met voorwaarden, een niet in tijd gelimiteerde tbs. Maar daarbij merkt een van de medewerkers op dat dit wel een ‘verhoudingsgewijs zwaar advies’ is. Het risico van herhaling en de beveiliging van de samenleving geven in dezen de doorslag.
In zijn slotbeschouwing komt Busato terug op deze zaak. In het spoor van gerechtspsycholoog Peter van Koppen concludeert hij: het begrip toerekeningsvatbaarheid is een ‘onhoudbare juridische fictie’ en dient ‘uit de wet’ geschrapt te worden. Immers, het is feitelijk onmogelijk om ‘retrospectief te diagnosticeren, laat staan een causaal verband vast te stellen tussen diagnose en delict’. ‘Als toerekenbaarheid als criterium wordt losgelaten verplaatst de discussie over de verdachte zich van het verleden naar de toekomst, namelijk hoe hij zodanig behandeld kan worden dat toekomstig delinquent gedrag kan worden voorkomen kan worden. (…) De huidige toestand van een verdachte kan, met een zekere graad van waarschijnlijkheid, goed worden vastgesteld door psychologen en psychiaters.’ [vii] De laatste zin van zijn boek is nog indringender: ‘De psychodiagnostiek is de psycholoog te machtig’.
De behandeling
De kern van het tbs-systeem is uiteraard de behandeling van deze mensen. In de publiciteit komen vooral de rapportages, de (her)beoordelingen van de patiënten in het kader van het al dan niet verlengen van de maatregel en hun verloven in beeld. Maar, gezien de gemiddelde verblijfsduur van bijna 9 jaar per patiënt, zijn er lange periodes waarin dus de behandeling plaats vindt. Busato besteedt van de drie auteurs de meeste aandacht aan het hoe en wat van die behandeling. Door de jaren heen zijn verschillende vormen en modellen van therapie ontwikkeld en nieuwe therapieën kunnen ‘in de mode zijn’. Dat hoorde ik in de loop van de jaren van gedetineerden, waaronder ook ex-tbs’ers, die ik als justitiepastor ontmoette.
Uit het werk van Busato komt het beeld naar voren van de inzet van veel verschillende vormen van therapie. Er zijn ‘hardere’ vormen zoals delict-analyse en EMDR, waarin de confrontatie met delict en verleden centraal staan. Daarnaast zijn er verschillende vormen van therapie waarin wordt ingezet op inzicht in jezelf als persoon, zoals cognitieve therapie, schematherapie, systeemtherapie en de meer kunstzinnige vormen van therapie, met als doel verbinding te maken tussen hoofd, hart en lijf. Al deze vormen worden per patiënt in diverse combinaties ingezet.
Wellicht het belangrijkste element in de tbs-behandeling is de factor tijd. Omdat de volle tbs in principe niet gelimiteerd is in tijd, vormt die wellicht het belangrijkste drukmiddel dat de behandelaren ten dienste staat. Een aanzienlijk aantal tbs’ers is aanvankelijk niet gemotiveerd voor de hen opgelegde behandeling. Maar op zeker moment wordt hen dan duidelijk dat hun traject niet vooruit gaat en zij zelfs in longstay, nu longcare genoemd, terecht komen. Bij een aantal van hen leidt dit tot verandering van hun houding ten opzichte van therapie en gaan ze, al dan niet van harte, meewerken. In dit verband is wellicht een opmerking van Wisse te plaatsen, die door Busato met instemming wordt geciteerd: ‘Zorg ervoor dat je begrepen wordt. Als je vooral een vraagteken blijft, ben je hier voorlopig nog niet weg’.
Op dit punt worden ook de meest kritische opmerkingen door Busato geplaatst, die we zijdelings ook tegen komen bij de twee andere auteurs. De opgelegde behandeling kan leiden tot gewenst gedrag en aanpassing bij patiënten, uitsluitend met het doel weer buiten te komen, terwijl zij ten diepste niet veranderd zijn. De meest fundamentele kritiek komt uit de mond van een tbs’er, die door Busato al in zijn inleiding wordt aangehaald: ‘Wat zo’n kliniek doet is niets anders dan de eer opeisen voor veranderingen die mensen vanzelf al ondergaan’. De auteur vindt dat je dit niet als onzin kunt afdoen.
Verloven zijn een essentieel deel van tbs-behandelingen: daarin kan en moet de tbs’er laten zien dat hij of zij het leven buiten aankan zonder in delict-gedrag te hervallen. Jaarlijks zijn er tienduizenden verlofbewegingen van tbs’ers, aldus Busato en Faber. Daarvan gaat de overgrote meerderheid goed. In minder dan een procent van de gevallen is er sprake van ‘onttrekking aan het toezicht’, hetgeen in de praktijk meestal neerkomt op te late aanmelding bij de kliniek vanwege vertraging in de reis. Van dit al kleine percentage is eens in de zoveel jaar een calamiteit te betreuren met soms dodelijke afloop. Op die momenten wordt de hele tbs de speelbal van sentimenten in politiek en publieke opinie, zoals beide auteurs duidelijk maken. Verloven worden ingetrokken en regels aangescherpt. Feitelijk is op zo’n moment sprake van collectieve bestraffing van alle tbs’ers en dit wordt door hen als onrechtvaardig ervaren. Op deze momenten zien we de uitwerking van een gebrek aan tolerantie voor risico’s in de samenleving. Risico’s in het verkeer met zoveel doden en gewonden per jaar calculeren we in; die ten gevolge van het handelen van ontspoorde mensen niet. In het begin van de jaren 2000 kon toenmalig minister Donner in zo’n situatie in het parlement nog zonder politieke gevolgen zeggen dat behandeling en verlof zonder risico niet mogelijk is.
We zouden het misschien bijna vergeten, maar psychotherapeutische behandeling vraagt de inzet van al die behandelaren in de klinieken. Behandeling vraagt vertrouwen tussen beide partijen. Dat vertrouwen staat al onder druk vanwege het opgelegde karakter van de behandeling. Daarnaast maken zowel Busato als Faber melding van het grote verloop onder die behandelaren, hetgeen met zich meebrengt dat juist in deze klinieken relatief veel behandelaren met beperkte ervaring rondlopen. Beide auteurs vertellen over tbs’ers die, soms na jarenlang verblijf in een kliniek, een behandelaar treffen in wie ze vertrouwen hebben, die vervolgens na enige tijd ook weer vertrekt. Dat dit de voortgang van de ontwikkeling van de betreffende tbs’er niet ten goed komt moge duidelijk zijn. Echter, ook de redenen van het grote verloop van het personeel in deze klinieken mogen niet onvermeld blijven. Deze behandelaren worden geconfronteerd met de verhalen over de regelmatig gruwelijke levens van die tbs’ers, zowel tijdens als vóór hun delict. Zeker voor zulke jonge mensen kan dat (secundair) traumatiserend en moreel zeer belastend zijn [viii]. We kunnen hierbij denken aan het door Busato aangehaalde werk van de jonge psychologe Leonie Holtes, die uiteindelijk na een jaar werken in zo’n kliniek en het schrijven van dat werk een einde aan haar leven maakte. Ook het verhaal van tbs’er Egbert, dat Faber door zijn boek heen weeft, is een scherpe illustratie hiervan.
Zowel Busato als Faber merken op dat rechters de laatste jaren regelmatig lange gevangenisstraffen opleggen in combinatie met tbs ‘als slot op de deur’. Ten gevolge van recente wetswijzigingen kunnen deze mensen pas na vele jaren beginnen aan hun behandeling, zodat de afstand tot hun delict in tijd feitelijk te groot is, aldus de behandelaren. Een ander probleem is dat mede daardoor de groep tbs’ers die 65 plus is in tien jaar tijd meer dan verdubbeld is tot ruim honderd. Daarvan zijn velen onbehandelbaar, bijvoorbeeld wegens dementie, terwijl ze wel gevaarlijk zijn en zo een behandelplek in een tbs-kliniek bezetten [ix].
Omgang van het tbs-systeem met de slachtoffers
In verband met de hierboven besproken problematische aspecten van de tbs kraken Faber en Busato zeer harde noten. Nu is de journalist Hans Faber ook de oom van de door Michael P. vermoorde Anne Faber en dus zeer persoonlijk bij deze materie betrokken. Dit geeft hij overigens met een bewonderenswaardige distantie vorm. Hij valt nergens te betrappen op ongenuanceerde of rancuneuze reacties. Wel is in zijn omgang met- en beschrijving van de ervaringen van andere slachtoffers duidelijk dat hij de pijn van dit slachtofferschap persoonlijk kent.
Wat uit de beschrijvingen van zowel Faber als Busato op dit punt vooral naar voren komt is het feit dat we sinds ongeveer 1800 in een systeem van zogenoemde verticale rechtspraak zitten. De overheid klaagt een dader aan als wetsovertreder, de rechter spreekt de straf uit en de overheid voert die vervolgens uit. In dit systeem is in principe geen plaats voor het slachtoffer [x]. Zowel de rechtspraak als het tbs-systeem zijn in essentie dadergericht. In de beschrijvingen van Faber en Busato kunnen we de onwennigheid en het ongemak van mensen die werken in het systeem van justitie en de tbs in de omgang met slachtoffers herkennen. Een systeem waarin gedurende bijna 200 jaar geen of nauwelijks plaats was voor het slachtoffer, moet zich in deze tijd, waarin strafrecht en tbs onder het vergrootglas van politiek en publieke opinie liggen, op dit fundamentele punt aanpassen. Dat gaat, blijkens de beschrijvingen van Faber en Busato met vallen en opstaan, tot schade en schande van die slachtoffers.
De meest uitgesproken voorbeelden van het voorbijgaan aan de belangen en gevoeligheden van de slachtoffers liggen op het terrein van verloven van tbs’ers en de beëindiging van het tbs-traject. Zo is het bijna regel dat de slachtoffers of nabestaanden niet of op het laatste moment bericht krijgen van het feit dat de dader in hun zaak op verlof is of op zeer korte termijn zal gaan. Bovendien zijn situaties bekend waarin, in het belang van de dader/verlofganger, zelfs gebiedsverboden door hen mogen worden genegeerd. Wanneer een dader duidelijk niet meewerkt aan een behandeling roept dat spanning op bij slachtoffers en nabestaanden. Zij kunnen echter geen enkele invloed uitoefenen op de vervolgens genomen beslissingen van de behandelaren en rechter. Met een beroep op de privacywetgeving blijven slachtoffers en nabestaanden bij de verlengingszittingen aan de zijlijn staan. Hun spreekrecht is zeer beperkt; zij mogen zich alleen uitlaten over de wenselijkheid van contact- en gebiedsverboden. Terwijl alle kosten van tbs’ers gedragen worden door de overheid kunnen slachtoffers en nabestaanden geen aanspraak maken op bijstand voor onverwacht hoge kosten, zoals die voor een notaris, uitvaart en psychische bijstand.
Enkele filosofische vragen bij het tbs-systeem
Vragen rond vrijheid en verantwoordelijkheid maken duidelijk dat het systeem van de tbs een mijnenveld is. Onze vrijheid wordt ingeperkt door het principe dat we in de uitoefening ervan de ander geen schade mogen toebrengen. TBS’ers hebben veelal anderen zeer ernstige schade toegebracht en zelfs levens van mensen verwoest, directe slachtoffers, maar ook van familieleden en andere betrokkenen. Dat leidt tot de pijn van veel van de slachtoffers en nabestaanden, wanneer het gaat om verloven van tbs’ers of uiteindelijk beëindiging van hun traject, en dan hoor je: ‘Wij hebben levenslang, deze dader gaat verder met zijn of haar leven’.
Maar het gedwongen karakter van een tbs-behandeling raakt ook aan de vrijheid en verantwoordelijkheid van de tbs-gestelde. En daar zit een inherente contradictie in, menen alle drie de hier besproken auteurs. Mensen worden verminderd- of geheel ontoerekenbaar voor hun daden verklaard, maar mogen pas naar buiten als ze zich verantwoordelijk kunnen gedragen. Of zoals Busato de eerder aangehaalde Holtes citeert: ‘’Zijn leven hing af van de vermoedens van anderen’. (p. 156) Dit lijkt mij nog een stevig argument voor de boven beschreven door Van Koppen voorgestane afschaffing van het begrip ‘(on)toerekeningsvatbaarheid’. En met die mogelijke afschaffing van dit juridische begrip verschuift de discussie van het verleden (retroactieve diagnose) naar de toekomst (verantwoordelijk gedrag) en is er geen sprake van een contradictie.
Het systeem van de tbs in Nederland is uniek in de wereld. Busato ziet, ondanks alle kritiek, het tbs-systeem als een teken van beschaving en beveiliging van de samenleving tegen psychisch ontspoorde mensen. Sinds ruim twintig jaar ben ik inwoner van België en lees regelmatig over het lot van wat hier de ‘geïnterneerden’ wordt genoemd. Het systeem van de tbs bestaat hier niet en tot voor minder dan tien jaar geleden werden alle ontoerekenbaar verklaarden zonder behandeling opgesloten in zogenoemde ‘psychiatrische annexen’ (de vergeetputten) van gewone gevangenissen en werd het land wegens deze praktijk veelvuldig veroordeeld door het Europese hof van justitie. Inmiddels bestaan er twee forensisch psychiatrische centra, waar geïnterneerden behandeling krijgen. Vanwege de beperkte doorstroming zitten er nu weer ongeveer duizend geïnterneerden in die vergeetputten.
Op basis van een onderzoek uit 2001 zijn enkele vergelijkingen te maken de omgang met psychisch gestoorde gedetineerden in enkele ons omringende landen [xi]. Het onderzoek betreft België, Engeland en Wales, Frankrijk en Zweden en provincies in Duitsland en Canada. De belangrijkste verschillen tussen Nederland liggen in het feit dat Nederland als enige land een zogenoemd tweesporenbeleid heeft: het effect van de behandeling heeft geen invloed op de lengte van de straftijd, elders wel. Ook zijn combinatiestraffen, dwangverpleging en gevangenisstraffen buiten Nederland niet mogelijk. In de Nederlandse wet zijn wordt geen koppeling gemaakt tussen bepaalde psychische aandoeningen en al dan niet toerekeningsvatbaarheid en dus ook met dwangverpleging en elders wel. Bovendien leiden persoonlijkheidsstoornissen in Nederland eerder dan elders tot een veroordeling tot dwangverpleging. In Nederland is het ministerie van justitie van het begin tot het einde verantwoordelijk voor de beoordeling, behandeling, tussentijdse beoordelingen en beëindiging van de maatregel, terwijl in alle andere onderzochte landen op enig moment het ministerie van volksgezondheid, de GGZ en soms andere partijen een rol spelen in het traject.
Het is met name Wisse, die met zijn ‘filosoferen in de tbs’ de nodige filosofische vragen aan de orde stelt. Hij constateert dat ‘een voortdurende bezinning op de aard en betekenis van het mens-zijn zou een inspirerende en kritische rol kunnen spelen in de behandeling. Een goed onderhouden antropologisch vloertje lijkt me geen luxe voor een gespecialiseerde forensische behandeling. Ook als dat vloertje er niet is, spelen mensbeelden een rol in de behandeling, maar dan onbewust en zonder reflectie.’ (p. 30). En ingaan op verschillende mensbeelden doet hij dan ook uitvoerig. Dat roept bijvoorbeeld indringende vragen op naar de behandelbaarheid en verbeterbaarheid van mensen, die ook door Busato en Faber worden aangestipt. Zijn werk vraagt echter een filosofische attitude en lijkt meer een introductie in de filosofie dan dat het de tbs als systeem behandelt.
Conclusie
De hier besproken drie werken verschaffen de nodige inzichten in de theorie achter, en de werking van het tbs-systeem.
Het werk van Busato is het meest systematische en omvattende van de drie. Met zijn titel ‘De mini-maatschappij’ geeft hij goed aan hoezeer het tbs-systeem een wereld op zich is, dat sociologisch gezien een totale institutie kan worden genoemd. Dat totale karakter geldt zowel de bewoners/patiënten als de mensen die er werken. De ervaringen die de werkers daar opdoen beïnvloeden hun levens regelmatig diepgaand. Daaraan kun je je als mens vrijwel niet onttrekken, alle theorie over professionele distantie ten spijt [xii]. De psycholoog en journalist vormen in de persoon van de auteur een gelukkige combinatie. Deskundigheid en gezonde journalistieke nieuwsgierigheid komen hier samen. Kortom een waardevol werk voor wie iets wil begrijpen van het tbs-systeem. Voor wat meer inzicht in de specifieke technisch forensische vragen en dilemma’s is volgens mij het bovengenoemde ‘Dodelijke gekte’ van Steins Bisschop en Herderschee een zinvolle aanvulling.
Het boek van Faber is met een andere inzet geschreven. Hier is ook een nauw bij de thematiek betrokken journalist aan het woord. Zoals eerder ongemerkt, doet hij dat op een knappe wijze met een goed evenwicht tussen betrokkenheid en professionaliteit. De hoofdstukken zijn stuk voor stuk reportages die een indringend beeld geven van de realiteiten in het tbs-systeem, maar niet met de pretentie het systeem als geheel in beeld te brengen. De kwaliteit van dit werk ligt in de wijze waarop Faber met grote empathie de beschreven mensen en organisaties in beeld brengt. Hij helpt mij als lezer mij te verplaatsen in die ander en te kijken met het perspectief van die ander, echter zonder zijn kritisch vermogen uit te schakelen. Vooral laat Faber goed zien waarom de politiek en de samenleving enerzijds en het tbs-systeem anderzijds, regelmatig zo hard botsen. Dat is een waardevol inzicht.
Wisse schrijft uiteraard het meest van binnenuit. Met ruim twintig jaar ervaring als geestelijk verzorger in een tbs-kliniek op de teller is dat logisch. Hij gaat maar summier in op de tbs als geheel, maar de opmerkingen die hij erover maakt zijn wel fundamenteel en raak, met name die over de diagnostiek en het belang van mensbeelden. Jammer genoeg maakt hij de belofte die in zijn ondertitel vervat ligt, ‘een gesprek tussen een geestelijk verzorger en een tbs’er’ maar zeer ten dele waar. De geadresseerde Stefan komt uitsluitend indirect aan het woord. Daardoor krijgt zijn boek toch een beetje het karakter van een filosofische monoloog. Wel geeft Wisse in zijn werk inzichten in de filosofische vragen en problemen die de tbs als systeem oproepen. Zoals hoe maakbaar zijn mensen? Hoe ligt de verhouding tussen vrijheid en verantwoordelijkheid in het geval van mensen met stoornissen? Mij zou echter ook de stem en visie van de tbs-er zelf interesseren. Met enige creativiteit had die wellichte iets directer kunnen klinken. Daarbij moet ik denken aan een recent werk van Sabine Wassenberg, waarin zij filosofeert met een aantal ex-gedetineerden uit de jeugddetentie, waaronder ook enkelen die een PIJ, een jeugd-tbs kregen opgelegd [xiii]. Hoe zou het zijn als Wisse het filosofisch gesprek was aangegaan met enkele ex-tbs’ers? Het zou me benieuwen hoe hun stemmen zouden klinken in dit verhaal.
George Scholte, gepensioneerd justitiepastor
Vittorio Busato, De minimaatschappij, In en over de tbs, uitgeverij De Kring, 2026,
zie hierHans Faber, TBS, Over tbs’ers, hun verhalen, behandelingen en het idee achter tbs, Amsterdam, Lebowski Publishers, 2025,
zie hier.
Okke Wisse, Filosoferen in de tbs, Het gesprek tussen een geestelijk verzorger en een tbs’er, uitgeverij Noordboek, 2024,
zie hier.
[i] Voor een meer technische beschrijving verwijs ik naar het boek ‘Dodelijke gekte’ van Steins Bisschop en Herderschee, en mijn recensie over dit boek op deze site
[ii] Brian Boyd, On the origin of stories, Evolution, cognition and fiction. Cambridge-Mass./London, 2009. Hoofdstuk 4 en 19.
[iii] George Scholte, Mensen in hokjes, Kritische beschouwingen van een gevangenispastor, Utrecht, 2022.
[iv] Paul Verhaeghe, Over normaliteit en andere afwijkingen. Amsterdam, 2019.
[v] Psychiater Manuel Morrens: ‘De DSM loopt op zijn laatste benen omdat dat systeem met afgelijnde categorieën niet meer van deze tijd is’ | De Morgen De Morgen 27/02/2026
‘Autisme, ADHD, schizofrenie... dat zijn geen ziekten in ons brein. Daar is geen wetenschappelijk bewijs voor’ | De Morgen De Morgen 13/03/2026
[vi] Robert Sapolsky, Behave, Waarom we van nature goed en slecht zijn: een biologische blik. Gent, 2024.
[vii] Busato, citeert Van Koppen, p. 184-185.
[viii] Zie hiervoor: Molendijk c.s. Handboek moral injury in context. Handboek moral injury in context en George Scholte, Gevangen in het systeem, Morele stress en verwonding in het gevangeniswezen. Antwerpen/Apeldoorn 2025.
[ix] Vergrijzing onder tbs'ers: 'Bij dementie heeft behandeling geen zin' Nieuwsuur 22/03/2026.
[x] De criminoloog JAAC Claessen promoveerde in 2011 op: Misdaad, straf en herstel, Nijmegen. De officier van justitie Disa Jironet schreef ‘Misdaad en mededogen’, Amsterdam, 2020. Beide auteurs laten zien hoe dit verticale strafrecht tot op de dag van vandaag worstelt met de omgang van slachtoffers van delicten. De hoogleraar Ontwikkelingen in de publieke opinie, Henri Beunders, schreef: ‘Hoeveel recht heeft de emotie, Over straffen in de slachtoffercultuur’. Amsterdam, 2018. Daarin doet hij suggesties om de verbinding tussen rechtspraak en samenleving te versterken.
[xi] Blaauw, E, Hoeve, M, Fair, J en Blijleven, B, Internationale vergelijking omgang met psychisch gestoorde delinquenten. Vrije Universiteit Amsterdam, afd. Klinische psychologie in opdracht van het WODC.
Internationale vergelijking omgang met psychisch gestoorde delinquenten
[xii] Zie in dit verband mijn: De weerbarstige praktijk van de psychiatrische zorg. De weerbarstige praktijk DEF.pdf
[xiii] Sabine Wassenberg, Veroordeeld, Een filosofisch perspectief op het straffen van jongeren; Utrecht, 2025.