Artikelen

Morele verwondingen: Naar een interdisciplinaire benadering van psychische problematiek onder militairen - door Tine Molendijk

In dit artikel onderzoekt de auteur, aan de hand van interviews en verhalen van Nederlandse (ex-)militairen het begrip morele verwonding (moral injury). Hiermee analyseert en belicht ze morele dimensies van militaire gezondheidsproblematiek die het engere begrip van de post-traumatische stressstoornis te buiten gaan. Met het proefschrift waar dit artikel op is gebaseerd won Tine Molendijk de Van Helsdingenprijs 2020/2021. Hieronder staat de inleiding van het artikel. Het hele artikel (PDF) kunt u hier lezen.

Inleiding  
“Ik heb eindeloos boeken zitten lezen en documentaires zitten kijken om te begrijpen waarom mijn dilemma’s nou zo bleven knagen”, aldus Philip (een pseudoniem), één van de Dutchbat-militairen die als vredeshandhaver de val van Srebrenica machteloos meemaakte. Hij had er jaren slapeloze nachten van, niet vanwege nachtmerries maar omdat hij “dingen probeerde te begrijpen”. 
Hij weigerde zichzelf als onschuldig te zien, want hij voelde tot in zijn vezels dat hij betrokken was geweest bij iets fouts. “Op een gegeven moment kwam ik tot het idee van, nou weet ik hoe het is om als Wehrmachtsoldaat terug te komen na de Tweede Wereldoorlog, en wanneer je erachter komt dat je bij de foute club hebt gezeten”. Maar hij wilde zichzelf ook niet schuldig verklaren, want “ik had zo mijn best gedaan”, net als zijn collega’s, terwijl ze juist “in de steek gelaten waren door Nederland, Frankrijk, de VS” en meer algemeen “de Verenigde Naties die van alles had beloofd”. Ook voelde hij dat als hij vraagtekens bij de onschuld van Dutchbat zou plaatsen, hij “net als de rest van Nederland ongefundeerd Dutchbat aanviel”. Hij ziet nu dat een groot deel van zijn slapeloze nachten en zijn pijn voortkomen uit precies die verwarring over de vraag “welk verhaal klopt er nou?”, een vraag die hij nooit opgelost heeft gekregen. Om die reden blijft hij vastlopen. “Ik vind het een verschrikkelijk woord, maar ik kan het niet afsluiten. En het blijft maar etteren”.
Een decennium later was er de missie in Afghanistan. Op het eerste oog een radicaal andere missie, waar de uitgezonden militairen wél mochten handelen, wél mochten vechten. Maar door de vanuit de regering opgelegde restricties in het mandaat – vanwege bezwaren en gevoeligheden in het parlement en de maatschappij – bleken de mogelijkheden voor militairen om te handelen ook hier gering en werden ze in plaats daarvan op dagelijkse basis met dilemma’s geconfronteerd. Dit gold bijvoorbeeld voor Niels, uitgezonden als militair verpleegkundige. Zo kwam eens op een ochtend tijdens een patrouille een oude Afghaanse man naar de eenheid van Niels toelopen, “met een peutertje, zijn kleinzoontje, in zijn armen”. De grootvader was wanhopig; de peuter had grote, flink ontstoken brandwonden. Niels zag al snel dat “het kindje een bezoekje ziekenhuis verdiende”, omdat het anders waarschijnlijk zou sterven. Zijn commandant probeerde nog een helikopter te regelen, maar kreeg van zijn meerderen te horen dat er geen helikopter gestuurd zou worden. Tegelijkertijd kwam er over de radio de opdracht binnen om een vermoedelijke Talibanstrijder te gaan opsporen. Dus ze trokken door, de grootvader met zijn kindje achterlatend, in de wetenschap dat het kindje nu waarschijnlijk zou sterven. Nooit had Niels zo scherp een conflict in hemzelf gevoeld. “Ik had een eed afgelegd als militair, maar als verpleegkundige had ik ook een eed afgelegd. Maar die twee beloftes, die rijmen daar niet, je moet daar kiezen. Uiteindelijk koos ik voor de militair”. 
Niels zou nog veel meer morele dilemma’s meemaken in Afghanistan, wat terug in Nederland resulteerde in flinke psychische problemen. Niels ontwikkelde woede naar de politiek toe, dat hij op een missie was gestuurd waarin het nooit de bedoeling was dat medisch personeel de lokale bevolking zou helpen, en meer algemeen dat hij op een missie was gestuurd met een mandaat bestaande uit allerlei onrealistische compromissen en daarmee onhaalbare ambities. “Heel die winning hearts and minds was echt een kontkreet”, in Niels’ woorden. “Want waarom wilden die mensen dan niet met ons praten? We hielpen ze niet. Het was gewoon één grote farce, een soort schijnveiligheid die we daar creëerden”. 
Zowel Philip als Niels voelden zich niet alleen verraden door hun politiek leiders, maar ook vervreemd van de Nederlandse samenleving, wat ooit hun thuis was maar waarvan ze de gemakzuchtige kritieken en meningen niet meer aan konden horen. Bovenal ontwikkelden ze boosheid en vervreemding naar zichzelf toe, nachtenlang wakker liggend van de vraag of ze anders hadden kunnen en moeten handelen.
Waar lijden veteranen als Philip en Niels nu precies aan, hoe komt het, en wie is verantwoordelijk? Wie of wat heeft het hier begeven, waar zit de ontregeling en de oorzaak van die ontregeling? Is er sprake van een psychische stoornis of zien we hier de psychische manifestatie van verstoring op het politieke en maatschappelijke niveau? Verhalen als die van Philip en Niels laten zien dat hun klachten niet alleen een probleem zijn van individuele veteranen, maar potentieel van ons allemaal. Daarmee zijn het ook onbehaaglijke verhalen. Ze maken klachten als die van Philip en Niels niet alleen bedreigend voor de innerlijke psychische orde maar ook voor de sociale orde van de militaire organisatie, het politieke domein en de samenleving als geheel. 
In dit hoofdstuk ga ik in op bovengenoemde vragen, op basis van mijn promotieonderzoek naar ‘moral injury’ onder Nederlandse militairen. Ik beperk mij tot enkele reflecties op ‘moral injury’ als een concept dat, waar ‘post-traumatische stressstoornis’ zich vooral richt op intra-individuele psychologische aspecten, kan helpen grip te krijgen op morele dimensies van militaire gezondheidsproblematiek, en zo ook licht kan werpen op de bredere maatschappelijke context ervan. Lees verder.