Skip to main content

Genoeg verbinding. Waarom scheiding zo gek nog niet is, Naud van der Ven

Recensie door Marc Calmeyn

Iedereen is er vol van: ‘we hebben nood aan verbinding’. Verbinding is een buzzwoord, met uitholling bedreigd. Naud van der Ven (studeerde geschiedenis en semitistiek en promoveerde bij de Nijmeegse filosoof René ten Bos) onderkent het probleem en legt de vinger op de wonde: zonder scheiding geen verbinding.

Het eerste deel van het boek is filosofisch van aard, het tweede psychiatrisch. In de inleiding bespreekt hij twee strategieën van anderen die een aanzet geven tot verbinding. Zo verwijst hij allereerst naar de filosofie van de kroeg (naar de titel van het boek van Hans Schnitzler). ‘In het café komen op diffuse wijze het onpersoonlijke en persoonlijke samen, en dat is een constructief gebeuren, een voorwaarde voor een leefbare samenleving’ (p. 18).  Naud van der Ven vindt belangrijk dat eigenheid en verschil behouden blijven in deze filosofische opvatting. Schnitzler geeft toe dat dit niet voor iedereen geschikt is. Wie moet overleven, heeft er geen boodschap aan. Voor van der Ven is dit elitaire karakter een probleem.

Thijs Lijster reikt een mogelijkheid aan om het kapitalisme en de uitloper, het neoliberalisme, tegen te gaan. Dit is de tweede strategie die Naud van der Ven bespreekt, de filosofie van de meenten. Het kapitalistische systeem leidt tot inpalming en omheining, afbakening van goederen en ideeën. Maar oorspronkelijk was de meent een gezamenlijk stuk grond bij een dorp. Lijster pleit om dit vorm te geven, structureel in te bedden. Het bekendste voorbeeld is wellicht Wikipedia. Lijster beroept zich op enkele filosofische inzichten van Kant wat Van der Ven aanzet tot een kritische reflectie, namelijk dat in deze vorm van ‘warme’ collectiviteit geen ruimte is voor andersheid.

Na de bespreking van Schnitzler en Lijster  komt in deze inleiding het cruciale begrip bovendrijven, namelijk scheiding. De filosoof die er de rode draad van vormt, is Emmanuel Levinas. Aan de basis van socialiteit (1) ligt niet het gemeenschappelijke maar – contra-intuïtief en radicaal – wat hij ‘de scheiding’ (la séparation) noemt. Er is een radicale scheiding tussen de mensen onderling, waardoor een ontmoeting iets absoluut vreemds van de ander in zich draagt.  Echter -- en dit is belangrijk--  er is communicatie over de kloof heen mogelijk. Maar wel met besef van de andersheid en vreemdheid die erin verweven zijn.

De gescheidenheid tussen de mensen is onderdeel van de menselijke conditie. Waar dit uitvergroot, uitgekristalliseerd aanwezig is, is in de waanzin. ‘De waanzinnige voelt zich gescheiden van andere mensen, en andere mensen voelen zich gescheiden van de waanzinnige’ (p. 27). Dit zal verder uitgewerkt worden in het tweede deel van het boek. Dat Levinas op deze wijze radicaal breekt met de gangbare filosofie, legt de auteur uit aan de hand van het verschil met Kant en Heidegger. Basisbegrippen als Mede-zijn (Mitsein) en Er-zijn (Dasein) geven aan hoe Heidegger in feite denkt over de mens als ander, c.q. het contact met de ander. De ontologie van Heidegger stelt een voorgegevenheid van een gedeeld samenzijn waarbij de ander deel uitmaakt van deze zijnswereld. Een echte onafhankelijkheid van de ander is on-bestaand bij Heidegger. Dit citaat van Levinas verheldert veel (p. 47):
    
“Sinds Plato is het ideaal van het sociale steeds weer gezocht in een ideaal van eenwording. Men denkt dat het subject, in zijn verhouding tot de    ander, geneigd is zich met hem te identificeren, volledig opgaand in een collectieve voorstelling, in een gemeenschappelijk ideaal. Dit is de        collectiviteit die ‘wij’ zegt (…) het is collectiviteit rond iets gemeenschappelijks.” (2)

De auteur voegt er aan toe: ‘En die kan totaliserend uitpakken’. Naud van der Ven gebruikt onder andere Jean-Luc Nancy om aan te tonen hoe radicaal het denken van Levinas verschilt van Heidegger. In plaats van een fusioneel samen-zijn (‘wij’) prefereert ook Nancy gemeenschappelijkheid als het losjes delen van eigenschappen. Zo komt er ‘ruimte’ en ‘tussenruimte’ (p. 51). Nancy is ontgoocheld door Heideggers ‘jumping to connection’ (3): van het gemeenschappelijke wij naar het volk als een gemeenschappelijke zaak, waarvoor moet gestreden worden. Inderdaad, de ‘verleiding van het totalitarisme’ is niet veraf. 

‘Wat blijft er overeind van Levinas’ kritiek?’ is de subtitel van een hoofdstuk. Naast totaliserende tendensen is er ook de op het eerste gezicht verrassende idee dat mede-zijn tot eenzaamheid leidt. Immers de diepste bestemming van de mens is een zijn-ten-dode en ‘dat is per definitie een ultieme, onmededeelbare persoonlijke zaak’ (p. 59). Het resumé van de auteur is duidelijk: ‘Mede-zijn biedt geen betrouwbare basis voor socialiteit’ (p. 61).

Vervolgens gaat Van der Ven in op de scheiding van Levinas als zodanig. Hij onderscheidt twee verhaallijnen. Het eerste is de hypostase. Dit is de tegenhanger van het il-y-a (er-is), als omschrijving van ‘de eindeloosheid van het zinloos voortkabbelende zijn’ (p. 66), een ‘vormeloos, onbepaald zijn (…) huiveringwekkend onverschillig van aard’ (p. 67). Hypostase is de beweging van het ontsnappen eraan, verzelfstandiging, subject worden. De tweede verhaallijn is de Ander. Over het alom gekende concept van het  Gelaat van de Ander van Levinas zijn bibliotheken volgeschreven. Een citaat van Theo de Boer vat de kern samen: “De absolute exterioriteit, die niet geïnterioriseerd kan worden, de werkelijke alteriteit, die onherleidbaar is tot het Zelfde (…)” (p. 76).

Naud van der Ven belicht een ander belangwekkend aspect ervan. Naast het doorbreken van de autonomie wordt ook de eenzaamheid van het verzelfstandigde ik doorbroken. Op zijn beurt is een citaat van Levinas relevant en revelerend: “De Ander doet de eenzaamheid teniet, door het egoïsme ter discussie te stellen” (p. 77). Zo kunnen momenten van echte socialiteit en echt contact  plaatsvinden. Deze idee kan als stepping stone voor het tweede deel van het boek gezien worden, dat over psychiatrie handelt.

Alvorens dit uit te werken stelt de auteur nogmaals de vraag: ‘Waarom is Levinas’ scheiding te verkiezen boven Heideggers mede-zijn?’ (p. 77). Er is dus ten eerste het thema van de eenzaamheid. Bij Heidegger heeft dat iets heroïsch. Het is in het aanschijn van de eigen dood zijn existentieel alleen-zijn onder ogen zien. Bij Levinas is de scheiding ook eenzaam maar ‘vol van openheid, toekomst en relatiemogelijkheden’ (p. 79). Er is ten tweede het begrijpen van andere mensen. Beide filosofen verzetten zich tegen een objectiverend, wetenschappelijk denken. Heidegger wil het onbekende in het bekende voegen, hij wil het onbegrijpelijke be-grijpen. Levinas stelt dat het gaat “om een relatie met de ander te beschrijven die niet tot begrip kan herleid worden” (p. 81).

Vervolgens maakt van der Ven de overgang naar de wereld van de psychiatrie. De kenniswerving, vooral van het medische model, heeft natuurlijk zijn belang. Kennis echter leidt tot macht. Het medisch model bepaalt wie normaal is en wie niet, wie erbij hoort en wie eruit valt. Ook hier loert totalitarisering om de hoek. Het is de mening van ondergetekende dat de DSM daartoe het vehikel en de hefboom is. De daaruit voortvloeiende socialiteit is schraal, vormelijk en protocollair. Rachel Aviv spreekt in haar boek over het ‘gesloten en afgeronde systeem van waarheid’. Wat ontbreekt is ‘(…) het psychische achterland, de buitenste randen van de menselijke ervaring, waar taal vaak tekort schiet (…)’ waar de strijd met een psychische aandoening voor veel personen zich afspeelt. 

De auteur heeft het over reflexieve behandelaars.  Zij brengen onder woorden hoe de Levinassiaanse scheiding doorwerkt en inwerkt in de praktijk. De absolute andersheid van de ander, met begrip voor het onbegrijpelijke en onherleidbare. Leidt dit dan niet tot onwerkbare toestanden – is er een filosofisch-psychiatrisch ‘contactverbod’? Dit is niet het geval. Integendeel, het leidt tot bescheidenheid die daardoor het  eerste persoonsperspectief respecteert. 

Levinas is inspirerend voor de hulpverlening wanneer het over de radicale scheiding gaat. De vraag is niet zozeer ‘is er contact mogelijk als er radicale scheiding is?’. Levinas ziet de scheiding juist als voorwaarde voor contact waardoor de geformaliseerde en ritualistische ontmoetingen doorbroken worden. Het egoïsme van het zelf en de totalitaire neiging kunnen opengebroken worden – dit kan enkel door het Gelaat van de Ander als absolute alteriteit te (h)erkennen. Deze werkt interruptief, wat disruptie maar geen destructie inhoudt. ‘Sparks of eternity’ zou ik het noemen, interrupties die de schrale socialiteit van de mainstream psychiatrie uit zijn voegen licht.

Bovenstaande zijn belangrijke voorwaarden voor echt contact, waar de auteur het in hoofdstuk 8 over heeft. Wat is ‘echt’? Naud van der Ven kan vanzelfsprekend geen sluitende definitie geven, maar reikt wel een aantal ankerpunten aan. Echt contact is gelijkwaardig tussen de deelnemers, ook al lijkt dit in tegenspraak met de concepten van de scheiding en de ander als absolute ander. Echter, juist daardoor kan voorbij geijkte communicatievormen een gesprek van mens tot mens plaatsvinden. Daaruit voortvloeiend laat echt contact zich niet instrumentaliseren. Het manifesteert zich in momenten, waar geen grip op te krijgen is om dit te ‘programmeren’.  De wereld van de psychiatrie is een leven van ploeteren. Door alle betrokkenen. Tenslotte, echt contact loont. ‘(…)echt contact is niet alleen goed voor de patiënt, maar ook voor de behandelaar’ (p. 158).

Het blijft mijn overtuiging dat psychiatrie niet zonder (de inspiratie van) filosofie kan. Dit boek is een schitterend voorbeeld hoe dit kan uitgewerkt worden. Het originele van dit boek is dat de auteur veel personen aan het woord laat, bekenden en onbekenden, hulpvragers en hulpverleners, theoretici en practici. Dit maakt het boek, jawel, echt.

Dit boek zet me ook aan tot associëren.  Er is ten eerste de metafoor van het kristalprincipe van Freud: “Als wij een kristal op de grond gooien, breekt het, maar niet willekeurig, het valt volgens zijn splijtrichtingen in stukken waarvan de begrenzing, hoewel onzichtbaar, toch door de kristalstructuur van te voren bepaald was. Zulke gebarsten en gekloofde structuren zijn ook de geesteszieken.”

Kristal is – inderdaad – kristalhelder, transparant. Valt het uiteen, dan breekt het in ontelbare stukken volgens breuklijnen die er vooraf al waren. Zo heeft de mens ‘barsten’ die pas bij manifeste psychopathologische ontregeling tot uiting komen. Dit impliceert twee zaken. Ten eerste, normaliteit en pathologie zijn niet strikt van elkaar te onderscheiden (waar DSM zich wel op baseert: je bent ziek of je bent het niet). Dit is omdat de mens een onaf wezen is. Elke mens is in se kwetsbaar, breekbaar. Vooral van belang voor dit boek is het tweede thema. Psychopathologie reveleert de (breekbare) menselijke existentie. Psychopathologie ontsluit het wezen en het wezenlijke van de mens en niet normaliteit. In de kristalmetafoor is de normaliteit zogezegd ‘gaaf’, geen barstje. Dit is voorbijgaan aan de vaststelling dat ieder mens in zich de mogelijkheid tot psychopathologie draagt. In het kader van dit boek betekent dit dat niet enkel psychiatrie maar ook filosofie zich dient te laten inspireren door psychopathologie.

Een tweede associatie is deze over het echte contact.  In mijn boek (Calmeyn, 2021, p. 74) beschrijf ik de dynamiek van een psychoanalytische behandeling – geïnspireerd door Jacques Lacan. Basisregel is dat alles kan uitgesproken worden. Dit maakt het gewone spreken mogelijk. Praten. De psychoanalyse is een intersubjectief gebeuren waardoor dialogeren mogelijk is. Zeggen. Doorheen het praten en spreken lichten er momenten op waarin een transformatie optreedt. Dit is het ware spreken. De ‘echte’ momenten, deze ‘sparks of eternity’ vormen de drijfkracht van de psychoanalytisch therapie. Wat van der Ven omschrijft als écht contact, is dus ook in psychotherapie aan het werk (4). 

Tot besluit. De auteur werpt een inspirerend licht op het begrip verbinding. Het wordt te pas en te onpas gebruikt. Het is de verdienste van de auteur om een nieuwe wending te geven aan dit concept vooral door in samenspraak en tegenspraak te gaan met vooral Emmanuel Levinas. Door verhelderende vertaling naar de klinische praktijk kan dit boek in veel opleidingen – die de band tussen psychiatrie en filosofie beogen – hopelijk een prominente plaats verwerven. 

Marc Calmeyn, psychiater-psychoanalyticus 

Noten
(1 ) De auteur beroept zich vooral op het boek ‘Un-common sociality’ van Ramona Rat om Levinas te begrijpen en te hertalen. ‘Socialiteit ‘ - de term veel gebezigd in dit boek  kan het best begrepen worden met het synoniem ‘gemeenschappelijkheid’.
(2) Levinas, de tijd en de ander, pp. 61-62
(3) De auteur gebruikt dit begrip naar analogie met ‘jumping tot conclusion’ wat betekent dat te snel een besluit wordt genomen.
(4) Ik spreek over de psychoanalytische kuur en therapie omdat dit mijn denk- en werkkader is. Ook in andere therapievormen kan dit natuurlijk zich voordoen.

Literatuur

  • Aviv, R. (2023) Vreemden voor onszelf. Oorspronkelijk Strangers to ourselfs’. Amsterdam Atlas Contact .
  • Calmeyn, M. (2021). Depressie is menselijk. Onze donkere kant anders belicht. Pelckmans.
  • Calmeyn, M. Reactie op ‘Psychopathologie als zelforganisatie van complexe dynamische systemen’: psychopathologie, complex én simplex. Tijdschr Psychiatr 2024 online op www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl   
  • Freud S. Colleges inleiding tot de psychoanalyse – Nieuwe reeks. In: Sigmund Freud Werken. Uitgeverij Boom, Amsterdam 2006 (1933).

Genoeg verbinding. Waarom scheiding zo gek nog niet is, 2025, Naud van der Ven. Gompel & Svacina, 181 bladzijden, meer informatie zie hier