Skip to main content

Gevangen in het systeem. Morele stress en verwonding in het gevangeniswezen, George Scholte

Recensie door Bart Hetebrij

Hoewel ik zelf als humanistische geestelijk verzorger ruim 20 jaar voor defensie gewerkt heb, bracht het verzoek van de redactie om een recensie te schrijven over Gevangen in het systeem door George Scholte mij weer terug naar de korte periode dat ik zelf als geestelijk verzorger in de gevangenis gewerkt heb. De rode draad in het boek is dat de penitentiaire inrichting (P.I) doordesemd is met wantrouwen. Scholte beschrijft minutieus de oorzaken en de gevolgen daarvan voor gedetineerden, penitentiair inrichtingswerkers (PIW’ers) en geestelijk verzorgers. Mijn ervaringen binnen het gevangenissysteem sluiten daarbij aan.  Vier maanden in dat regime werken stelt misschien niet veel voor, maar een voorval is me bijgebleven. Rondlopend op de afdeling zag ik een verhit gesprek tussen een jonge bewaarder en een net binnengebrachte gedetineerde. Deze laatste wilde zijn advocaat spreken. Toen ik het gevoel kreeg dat de situatie escaleerde, ben ik naar hen toe gegaan en heb de man meegenomen naar mijn kamer om hem daar in alle rust te kunnen spreken en daarna te laten telefoneren met zijn advocaat. In het gesprek met hem vertelde hij me dat hij tijdens zijn proefverlof vanuit de Mesdagkliniek een misdrijf gepleegd had en daarvoor opgepakt was. In het telefoongesprek met zijn advocaat sprak hij steeds over vergelding. Dat woord, zonder de context te kennen, gaf mij nu ik alleen met hem op mijn werkkamer was een onveilig gevoel. Had ik er wel verstandig aan gedaan om deze man mee te nemen naar mijn werkkamer? Na afloop van het telefoongesprek bracht ik enigszins opgelucht de man terug naar de afdeling. Maar zou ik het in een dergelijke situatie de volgende keer anders aanpakken, vroeg ik me af? Is deze aanpak van mij nou wel zo slim geweest? Hij had mij iets aan kunnen doen of mij gijzelen. Een gevoel van wantrouwen begon te groeien.

Op mijn beurt werd ik soms met wantrouwen bekeken. Bij bezoek van bepaalde cliënten op mijn werkkamer werd door sommige penitentiair inrichtingswerkers regelmatig door het ruitje in de deur naar binnen gekeken. Was dat om mij te beschermen of een subtiele vorm van intimidatie? Ook moest ik soms lang wachten tot de bewaking deuren opendeed voor mij. En wat doe je als je misstanden signaleert? Ga je dat aankaarten bij het personeel en de directie? Hoe weeg je de kansen op succes af? Heb je voldoende informele macht om iets aan te kaarten? Wat als het niet lukt en je met nog meer wantrouwen bekeken wordt.

Het idee dat ik op mijn werkkamer via het ruitje in de deur bekeken kan worden zonder dat ik het altijd door heb, doet iets met mij. Ik kan het niet negeren. Ik ga erop letten als ik op mijn werkkamer met cliënten in gesprek ben en laat expres mijn cliënten met de rug naar de deur zitten. Zij kunnen immers al te pas en te onpas via het luikje in hun celdeur bekeken worden en hoeven op mijn werkkamer daar niet nogmaals mee geconfronteerd worden. 

Panopticon
Dat idee van ‘gezien’ worden zonder dat je weet of en wanneer je bekeken wordt, vindt zijn oorsprong in het panopticum model bedacht door de 18e-eeuwse filosoof en sociale hervormer Jeremy Bentham. Hij ontwierp dit als een architectonische structuur in de vorm van een cirkelvormig gebouw met een centrale wachttoren in het midden, van waaruit een enkele bewaker alle gevangenen in het cirkelvormige gebouw kan observeren zonder dat zij weten wanneer ze worden bekeken. Dit idee van “zichtbaar en toch onzichtbaar” toezicht was bedoeld om een gevoel van constante bewaking te creëren, waardoor de gevangenen hun gedrag zouden aanpassen zonder de noodzaak van voortdurende fysieke aanwezigheid van bewakers. Voor de Franse filosoof Michel Foucault vertegenwoordigt het panopticon niet alleen een fysieke vorm van bewaking, maar ook een paradigma van macht en van hoe die macht subtiel en alomtegenwoordig doorwerkt in het detentiesysteem. Ook de moderne gevangenis met alle cameratoezicht en surveillancemogelijkheden geeft de mogelijkheid om alle individuen binnen een ruimte te zien zonder dat ze weten of ze geobserveerd worden. Dit bewakingsmodel creëert een gevoel van constante waakzaamheid en controle, waardoor zowel gedetineerden als het personeel waakzaam zijn en zichzelf in de gaten houden. Dit mechanisme van controle functioneert geruisloos en onzichtbaar en beïnvloedt de handelingen en gedachten van individuen zonder dat ze zich daarvan bewust zijn. Wat dat betekent voor geestelijk verzorgers werkzaam binnen justitiële inrichtingen, penitentiaire inrichting werkers en gedetineerden beschrijft Scholte in dit boek.

Geestelijke verzorging
Het zal niet verbazen dat constante waakzaamheid en controle voor alle partijen binnen het detentiesysteem leidt tot een klimaat van wantrouwen van personeel onderling en gedetineerden onderling, maar vooral tussen personeel en gedetineerden. Daaruit voortkomende problemen en misstanden moeten aangekaart worden. Hoewel in de taakomschrijving van de geestelijke verzorging het bewaken van de humaniteit in de inrichting meegenomen is, concludeert Scholte dat veel geestelijk verzorgers juist terughoudend zijn in het aankaarten van problemen en misstanden. De reden is dat voor het functioneren van de geestelijke verzorging goede verhoudingen met personeel en directie heel belangrijk zijn. Dit kan op gespannen voet komen te staan met wat het beroep vraagt, namelijk zorg en empathie voor de mensen die vastzitten in een systeem dat gekenmerkt wordt door wantrouwen, machtsverhoudingen en vooral grote machtsverschillen. Het is koorddansen voor de geestelijke verzorger en steeds maar weer afwegen hoe je vorm gaat geven aan je inzet. 

Een P.I. is een gesloten, wantrouwende en op strakke regels gerichte omgeving waarin de bureaucratie de boventoon voert en waarin weinig ruimte is voor fouten en waar angst en onderdrukking een grote rol spelen. In zo’n organisatie is de geestelijk verzorger zijn eigen instrument. De ontmoeting van mens tot mens staat daarin centraal, eerder nog dan kennis en methodiek. Het is een omgeving waarin emoties een grote rol spelen - rondom rechtvaardigheid, leed, kwaad en herstel - maar moeilijk verwerkt kunnen worden binnen die omgeving. Als geestelijk verzorger ervaar je die morele spanning tussen jouw zorg voor de gedetineerden en het werken binnen het systeem van detentie. Om daarin een weg te vinden, is niet gemakkelijk. Het maakt voor de geestelijk verzorger het werken in het gevangeniswezen moeilijk en zwaar.

Penitentiair inrichtingswerkers
Niet alleen gedetineerden zitten (letterlijk) vast in het detentiesysteem, maar ook de mensen die het werk binnen dit systeem moeten uitvoeren, de PIW’ers. Vooral deze categorie ervaart belastende aspecten van het werk zoals hoge werkdruk, gebrek aan autonomie, beperkte benutting van kennis en capaciteiten, onzekerheid van carrièreperspectief en lage sociale status van het beroep. Maar ook angst voor geweld en manipulatie door gedetineerden, gebrek aan bespreekbaarheid van morele kwesties en gebrek aan waardering en betrokkenheid van leidinggevenden spelen een rol. Scholte noemt met name deze laatste twee als voorspellers van ongewenste omgangsvormen onder personeel en tussen personeel en gedetineerden. Waar lopen de PIW’ers dan tegenaan en waarom is het vaak niet bespreekbaar? Scholte noemt als belemmerende factoren de hoge werkdruk, de traditie van top-down beleidsvorming en het grote gewicht op protocollen in de dagelijkse praktijk. Dit kan leiden tot vormen van afstomping, cynisme of normalisering van het abnormale als vormen van (noodzakelijke) zelfbescherming.  Dit draagt bij aan een klimaat van wantrouwen in de penitentiaire inrichtingen. Hierin situeert Scholte het concept morele verwonding: “het verraad van wat juist is”. Mensen kunnen moreel lijden omdat zij moeten meewerken aan praktijken die formeel en protocollair verantwoord zijn, maar die hen tot in het diepst van hun ziel en morele intuïtie tegenstaan. Dit kan leiden tot morele desoriëntatie. Het opsluiten van een medeburger: “hoe blijf je daar humaan bij?” Medewerkers spreken regelmatig het besef uit dat detentie mensen eerder slechter dan beter maakt. Hoe blijf je dan inhoudelijk gemotiveerd je taken uit te voeren? Dan is het verklaarbaar dat zij eerder hun toevlucht nemen tot een normatieve in plaats van een morele verantwoordelijkheid. 

Gedetineerden
Bij gedetineerden worden vragen over schuld en verantwoordelijkheid vaak vertaald in mentale problemen of psychische stoornissen, waarmee de morele vragen die onder delicten liggen onvoldoende in beeld komen. In de behandeling is professionele distantie het wezenlijke concept. Het primaat ligt bij de methode.  Op organisatorisch niveau ligt het zwaartepunt juist bij protocollen en het belang van de organisatie. Maar in de detentiesituatie komen volgens Scholte juist spanningsvelden voor als leven en dood, vrijheid en onvrijheid, isolatie en verbondenheid, zin en zinloosheid. Hierin zijn existentiële thema’s te herkennen en dit brengt morele vragen met zich mee, hetgeen zich moeilijk laat verenigen met het concept professionele distantie. Er is eerder professionele nabijheid nodig. 

Want ook gedetineerden kunnen moreel worstelen met de daad of daden waardoor ze in detentie geraakt zijn. Bij sommige gedetineerden leidt opsluiting tot gewetenswroeging, anderen komen er niet aan toe omdat ze in de overlevingsstand staan. Concreet houdt dit in dat de detentiesituatie de ingeslotene reduceert tot zijn of haar delict. Een aanvankelijk schuldbesef verwordt tot het gevoel slachtoffer te zijn. Dit betekent dat gedetineerden niet toekomen aan de morele verwerking van hun daden. Scholte spreekt in dit verband over morele abcesvorming. Het verblijf in een P.I. is voor veel gedetineerden een traumatische, maar ook in moreel opzicht een stressvolle ervaring. De hele omgeving lijkt mensen te reduceren tot hun delict en niet meer dan dat. Dit bemoeilijkt het onder ogen zien van de eigen verantwoordelijkheid voor een delict. Het leidt dus vooral tot een overlevingshouding en slachtofferrol en niet tot een reëel inzicht in hun schuld en verantwoordelijkheid. Dit staat hun schuldinzicht en re-integratie in de samenleving in de weg. Veel gedetineerden verkeren om die reden in een tamelijk uitzichtloze situatie. Zij worden binnen en buiten de P.I.’s gewantrouwd en gezien als nutteloze, overbodige en gevaarlijke mensen. Kortom: ongewenst in de samenleving. 

Tot slot
Het opsluiten van mensen is voor niemand goed. Niet voor de gedetineerden die er vaak slechter uitkomen, maar ook niet voor het personeel dat te maken kan krijgen met klachten als burn-out, PTSS en morele verwonding. Het werken met en voor deze mensen wordt als moreel en emotioneel belastend ervaren. Dit maakt het belang van inter- en supervisie, collegiale uitwisseling en opzetten van morele beraden des te meer nodig. De geestelijke verzorging kan in met name het laatstgenoemde een rol spelen.

Scholte concludeert dat het professioneel geïnstalleerde wantrouwen als een olievlek door de hele organisatie loopt en werkt als een vicieuze cirkel van negatieve dynamiek tussen medewerkers en gedetineerden. Gedetineerden en personeel moeten altijd ‘aan’ staan om te overleven in de onveilige situatie die een P.I. is. Dat maakt het werken in een P.I. vergelijkbaar met andere hoog-risico beroepen, zoals politieagenten en militairen.

Het boek van Scholte doet beseffen dat werken in een justitiële inrichting in moreel opzicht een mijnenveld is en een groot afbreukrisico heeft. Dat geldt ook voor de categorie geestelijk verzorgers. Hoeveel bewegingsruimte hebben zij eigenlijk om hun werk goed te kunnen doen? Het zijn koorddansers tussen het systeem en de cliënt. Scholte laat zien dat morele schade ontstaat wanneer mensen niet kunnen handelen volgens hun diepgewortelde overtuigingen van wat goed en fout is. Dit kan leiden tot gevoelens van machteloosheid, schaamte en schuld. Men voelt zich innerlijk verscheurd. Het zijn kenmerken van wat we morele verwonding noemen. Met een scherp oog voor de ethische, psychologische en maatschappelijke dimensies laat Scholte zien hoe belangrijk het is om ruimte te maken voor morele twijfel, kwetsbaarheid en herstel. Het boek is een aanrader voor wie wil begrijpen wat werken in een penitentiaire setting werkelijk vergt.

Bart Hetebrij heeft filosofie gestudeerd en heeft als humanistisch geestelijk verzorger bij defensie en korte tijd voor justitie gewerkt.

Gevangen in het systeem. Morele stress en verwonding in het gevangeniswezen, 2025, George Scholte. Maklu, 282 bladzijden, meer informatie zie hier.