Michel Thys
Op de rand van het menselijke
Filosofisch-psychoanalytische impressies

Recensie door Kasper Essers

Inleiding
De mens als voorstellingswezen, deze positie informeert dit werk van de psychoanalyticus Michel Thys. Thys is geschoold in de filosofie en werkzaam als psychoanalytisch therapeut. Het werk Op de rand van het menselijke is dan ook gebaseerd op verscheidene inzichten uit beide tradities, en vormt een omvattende uitwerking van Thys zijn voorafgaande onderzoek.
Het idee dat het voorstellen een intrinsiek onderdeel is van de aard van de mens is een gedachte geponeerd door verscheidene denkers en komt in verschillende tradities naar voren, bijvoorbeeld bij Spinoza, Freud en Heidegger. Thys vat dit mensbeeld samen in het begin van zijn werk door te stellen: “De menselijke geest, het menselijke functioneren, intermenselijke betrekkingen en samenlevingsvormen, het hele spectrum van kleine alledaagse handelingen en belevingen tot de grootste cultuurprestaties zijn uitingen en voortbrengsels van dit onmetelijke voorstellingsvermogen.” (Thys, p.10). Het werk van Thys richt zich echter niet alleen op dit vermogen tot voorstellen, of representeren, zoals velen hem al voorgingen, zijn theorie draait vooral ook om de ervaring met de grenzen van de representatie: “ervaringen die het representatieve en dus ook het talige als zodanig onder druk zetten maar tegelijkertijd … de wezenskenmerken ervan des te krachtiger naar voren halen.” (Thys, p.13). Aangezien dergelijke fenomenen op de grens van het symbolische ofwel voorstellende plaatsvinden beschrijft Thys, tegelijkertijd, aan de hand van deze ervaringen de grens van het menselijke. De centrale as waar Thys zijn werk omheen draait is de gedachte dat de meest wezenlijke aard van de mens naar voren komt op het moment dat de mens zelf begint te verdwijnen. Het werk bestaat uit vier onderdelen die verscheidene hoeken van dezelfde thematiek belichten, een mozaïek van filosofische en psychoanalytische theorieën omtrent de rand van het menselijke. In het volgende stuk zullen de onderdelen elk apart de revue passeren en zullen hun posities en overkoepelende coherentie kritisch besproken worden.

Fenomenologie van de fascinatie
Het werk begint met een bespreking van Sartre om het grondwerk van een theorie over de fascinatie stapsgewijs uiteen te zetten. Thys maakt gebruik van het door Sartre gebruikte onderscheid tussen het subject en object, respectievelijk, als een voor-zich en een op-zich, om de ervaring van de fascinatie te bespreken. Het voor-zich, het subject volgens Sartre, is enkel een bewustzijn van dat waar het op betrokken is. De ervaring van de fascinatie is er volgens Thys een waarin het subject zo goed als volledig op gaat in het object, en het enige wat er van het subject overblijft de interne negatie is die centraal is voor het bewustzijn, waardoor het subject als zodanig niet volledig verdwijnt: “In de fascinatie is er geen fusie met het object, maar ik dréig er wel mee samen te gaan vallen” (Thys, p.40). Een voorbeeld aangehaald door Thys kan deze ervaring verduidelijken, namelijk die van Gregor Samsa in Kafka’s verhaal De gedaanteverwisseling. In het verhaal wordt de hoofdpersoon wakker als een mestkever. Het dier heeft volgens Thys de plek van het normale Ik van Gregor overgenomen, echter er blijft een bepaalde subjectiviteit over. Gregor valt niet volledig samen met het fascinerende object waar hij niet omheen kan, namelijk, zijn groteske keverlichaam. Deze scherpe analyse van Sartre, met hulp van Kafka, over de fascinatie geeft Thys de mogelijkheid om het vertrouwde en confronterende aspect van de fascinatie te omschrijven.

Thys’ theorie omtrent de fascinatie wordt vervolgens explicieter onderbouwd aan de hand van verschillende klinische voorbeelden, die ons leiden naar psychoanalytische vaarwateren, specifiek die van Melanie Klein met haar theorie over objectrelaties en excessieve projectieve identificatie. Deze metapsychologische benadering stelt Thys in staat om de fascinatie te linken aan de annihilatieangst als een mechanisme om het subject te verdedigen tegenover de ervaring van het alomvattend object, waar het subject mee samen mee dreigt te vallen. Deze situatie wordt beschreven als volgt: “Het subject kan zich er niet van distantiëren – het ervaart het ‘object’ als iets fundamenteels van zichzelf-, maar evenmin weigert het zich er mee te identificeren omdat het het tegelijk ervaart als levensbedreigend” (Thys, p.54). Hiermee duidt Thys, wederom, op het persoonlijke en tegelijkertijd vreemde aspect van de aard van de fascinatie.
Thys breidt zijn theorie verder uit door de mentale toestand van het subject in de greep van de fascinatie te omschrijven. In lijn met de vorige omschrijvingen wordt het subject dermate overweldigd door het object dat die overweldiging het enige houvast in de ervaring vormt. Echter, in dit vastklampen riskeert het subject zijn eigen bestaan doordat het dreigt te fuseren met het object in kwestie. Deze dynamiek leidt Thys tot een bespreking van de fascinatie als een mogelijkheid om bepaalde aspecten van trauma te omschrijven. Vanwege zijn overweldigende en verlammende werking heeft de fascinatie volgens Thys een overlap met het traumatische, en kan zo de terugkerende en overweldigende aard ervan worden uitgelegd. Thys beschrijft hoe trauma een uiterst complex fenomeen is dat door middel van de fascinatie overigens ook niet volledig begrepen kan worden. Zijn engagement met het onderwerp is eerder bedoeld om bepaalde aspecten van het traumatische te belichten aan de hand van de fascinatie.

De terugkerende aard van het trauma kan volgens Thys beschreven worden doordat in de fascinerende ervaring de subjectiviteit onder enorme druk komt te staan. Zoals eerder besproken neemt het object de ervaring over in de fascinatie, hoewel er wel een deel van de subjectieve ervaring in stand blijft. De scheidingslijn tussen subject en object wordt hier echter miniem, het object tast het subject aan waardoor deze laatste als het ware het object nodig blijft hebben om daarmee zijn subjectiviteit in stand te houden. Vandaar de terugkeer naar de plek waar de voorafgaand aan de fascinatie nog intacte subjectiviteit verloren is geraakt.
De vraag blijft hier echter overeind: wat is het dat de mens fascineert? Volgens Thys is het het onmenselijke dat de mens fascineert. Thys onderbouwt deze uitspraak door terug te grijpen op Sartre en zijn onderscheid tussen het voor-zich en op-zich met de toevoeging van de Sartriaanse notie van het zijnsverlangen, de tendens van het subject om samen te willen vallen met het object. Het op-zich heeft een opzichzelfstaand bestaan, wat het voor-zich niet heeft. Het zijnsverlangen is vandaar een omschrijving van de wil van het subject om op-zichzelf te zijn, terwijl het zijn bewustzijn behoudt. Zoals eerder besproken zet de fascinatie het scherpe onderscheid tussen subject en object onder druk. Volgens Thys is dit zo doordat in een dergelijke ervaring het onderscheid tussen het menselijke en niet-menselijke onduidelijk wordt. Dit grijze gebied doopt Thys het onmenselijke. Het onmenselijke vormt de limiet van de subjectiviteit, het verst dat het subject kan gaan zonder zichzelf volledig op te geven. De herformulering van het begrip fascinatie functioneert als het startpunt voor Thys’ verdere discussies en exploraties. Ondanks de theoretische lading die het hoofdstuk heeft, biedt het een heldere beschrijving van het centrale concept.

Identiteit en het (tussen)lichaam
De ervaring van het subject dat zichzelf dreigt te verliezen in de fascinatie veronderstelt, bij uitstek, een notie van identiteit, een die bedreigd kan worden door belevenis van de fascinatie. Thys behandelt deze problematiek vanuit twee hoeken, de fysieke en sociale dimensie van onze identiteit. De eerste partner in deze dialoog over identiteit, is de psychoanalyse. Thys vormt aan de hand van verscheidene psychoanalytici, een conceptie van het lichaam. Freuds driften, Kleins onbewuste fantasie en Lacans objet petit a, vormen theoretische aanknopingspunten om de doorlopende psychoanalytische discussie van de verhouding tussen lichaam en psyche, bloot te leggen. “Het psychoanalytische lichaam beweegt zich voortdurend tussen toe-eigening en onteigening.” (Thys, p.92). Een oscillatie tussen het psychische en het fysieke, een spanningsveld tussen het hebben en het zijn van een lichaam.
Vervolgens schuift de analyse van Thys naar de andere dimensie van de identiteit, namelijk, het sociale aspect. Om deze publieke dimensie aan te stippen bespreekt Thys Michel Foucaults analyse over seksualiteit en bekentenis. Het handelt hier om Foucaults these dat het discourse omtrent seks in zijn onderdrukking juist een proliferatie van ditzelfde discourse teweegbracht, echter een met het oog op onthulling. Er ontstond volgens Foucault een bekenteniscultuur, gekenmerkt door het vrije spreken van het subject over zichzelf. In de psychoanalytische context is het de analyticus die bepaalt wat de waarheid is van datgene dat de analysant bekent, het onderwerpt en zodoende een subject creëert door middel van het spreken van waarheid. Hier ziet men ook de ingrijpende kritiek van Foucault op de psychoanalytische maxime van de vrije associatie, namelijk als een praktijk van subjectiverende onderwerping vanwege zijn focus op zelfonthulling. Thys bespreekt, op basis van de Foucaultiaanse analyse, hoe dergelijke vormen van zelfonthulling zich cultureel ontwikkeld hebben zowel in een voyeuristische als exhibitionistische wijze, en hoe deze beiden in hun hyperzichtbaarheid alle geheimen proberen uit te bannen. De psychoanalyse hanteert echter, volgens Thys en in contrast met Foucault, een andere notie van onthulling, namelijk een gecentreerd rondom het geheim. “De psychoanalyse is niet gericht op het gemakkelijk zegbare maar op het (bijna) onzegbare, op die aspecten van onszelf waar we niet zomaar zeggenschap over hebben” (Thys, p.117). De vraag blijft echter of de notie van een altijd ongrijpbaar geheim daadwerkelijk de tendensen van de excessieve onthullingscultuur kan bestrijden, draagt zij in zichzelf niet de potentie om over te vloeien in pogingen om het geheim te vatten? Men zou kunnen stellen dat de notie van het geheim juist een motor vormt voor excessieve interpretatie die het subject benadert vanuit een specifiek raamwerk. Het is, zoals Deleuze stelt, onderdeel van een vooropgezette interpretatieve machine die het subject niet werkelijk laat zeggen wat het wil (Gilles Deleuze, Desert Islands, 274).
De voorafgaande besprekingen, over het psychoanalytische lichaam en de publieke identiteit ofwel het sociale, vormen het spanningsveld waarbinnen de menselijke identiteit gedijt. Een uitspraak van de dichter Arthur Rimbaud, kan licht werpen op deze spanning: “Je est un autre”, het ik is een ander, de meest wezenlijke kern van ons zijn blijft voor ons verhuld. Echter dit is enkel en alleen een metapsychologisch punt. Vanuit de ervaring gezien kunnen we niet om het gevoel van subjectiviteit heen, zo stelt Thys. Het menselijke subject is zowel ongrijpbaar als onontkoombaar. Als we de mens omschrijven als een spanning tussen twee polen waartussen geen opheffing plaatsvindt, dan volgt hieruit de al dan niet paradoxale uitspraak dat de mens het meest wezenlijk zichzelf is op het moment dat het zichzelf verliest. Hierin legt Thys het grondwerk voor zijn theorie omtrent het subject, wat later in het werk explicieter uiteengezet wordt.

Onmenselijke verhalen en de fascinatie
Thys poogt zijn exploraties van zowel de fascinatie als identiteit samen te laten komen in de bespreking van verscheidene kunstwerken die de marges van de symbolisering omschrijven. 
Zijn engagement met kunst begint bij een bespreking van Edward Hoppers werk Morning in a City, om de fascinerende potentie van kunst te illustreren. Thys beschrijft, hoe in het kunstwerk zijn stoffelijke afscheiding geboren uit het subject, de grens van het onmenselijke geuit wordt. 
Het fascinerende aspect van de kunst wordt uitgediept door Thys zijn lezing van Antigone, een die in tegenstelling tot de Lacaniaanse lezing niet de primaire focus legt bij Antigone, maar bij het lijk van Polynices. Thys’ lezing lijkt meer in lijn te liggen met de theorie van het abject, zoals geïntroduceerd door Kristeva. Door het lijk centraal te stellen in het verhaal biedt Thys een heldere lezing waarin het lijk functioneert als een fascinerend object waar de rest van het stuk omheen wervelt. Deze beschrijving leidt Thys tot de introductie van het concept fascinum. Een fascinum is op zich geen fascinerend object; het evoceert het fascinerende wat wil zeggen dat het mogelijk maakt om grip te krijgen op de ervaring van de fascinatie zonder deze zelf daadwerkelijk te ondergaan. Door Antigone te behandelen als zijnde een  fascinum, poogt Thys de obsessie met het stuk door de jaren heen te beschrijven. Ten slotte richt Thys zich tot Frankenstein, geschreven door Mary Shelley. Door de gedachtes van de hoofdpersoon, Victor, te volgen, is Thys in staat het monster Frankenstein te linken aan de onontkoombare en ongrijpbare identiteit als excessieve projectieve identificatie, wat impliceert dat het monsterlijke, lees onmenselijke, onontbeerlijk bij het menszijn behoort. De besprekingen van Thys vormen een informatieve toepassing van de theorie van de afgelopen hoofdstukken, echter, het blijft bij dat niveau. Een, heldere, toepassing van wat eerder al gezegd was.

Subject als ruïne
In het laatste deel van zijn werk begint Thys met een exploratie van de culturele dimensie van de fascinatie, een bespreking van de culturele omgang met het onmenselijke. Bepaalde inzichten uit de voorafgaande hoofdstukken worden expliciet meegenomen om de mechaniek van zulke culturele praktijken of narratieven uit te leggen. Er is namelijk sprake van een afstandelijkheid ten opzichte van de daadwerkelijke fascinatie wat de ervaring ook deelbaar maakt. Dergelijke vertellingen zijn een mogelijkheid om te engageren met het onmenselijke, om de complete inlijving en verbanning te voorkomen. 
Thys poogt om de positie van het onmenselijke op een ander niveau te bespreken, namelijk in de betekenisverlening of symbolisatie als zodanig. Door verschillende culturele artefacten te bespreken exploreert Thys de rand van de symbolisering, wat hem, geleidelijk, leidt naar een fenomenologische bespreking van het infantiele en het traumatische. De twee polen zijn volgens Thys betrokken op het onmenselijke aangezien ze de marges van de symbolisatie vormen :“Het infantiele is het ontstaan, het traumatische is het vergaan van het menselijke. De taal vertoeft daartussen, tussen ontstaan en vergaan”(Thys, p.224). Vervolgens richt de discussie zich op de psychoanalyse, en zijn maxime van de vrije associatie. Deze methode, en zijn oscillatie tussen hermeneutiek en betekenisloosheid, vormt volgens Thys bij uitstek een manier om met marges van de symbolisering in contact te komen en er mee om te gaan. Gedurende het hoofdstuk wordt de notie van zin als meest aantoonbaar waar zij dreigt te verdwijnen, aangenomen als uitgangspunt. Een dergelijke aanname resulteert in een interessant en overtuigend pleidooi voor de psychoanalytische praktijk. Helaas blijft het enkel bij een aanname, de taal als zijnde gestut door een onuitspreekbare of zinloze bodem, en een uitgebreider engagement met de notie van zin zou Thys’ stuk argumentatief sterker hebben kunnen maken.
Thys sluit zijn werk af door de dialoog met Sartre, zoals geïntroduceerd in het begin, weer op te pakken en uit te breiden door middel van de bevindingen besproken in de rest van de tekst. De mens is volgens Thys geïntrigeerd door fenomenen die zich bevinden op de rand van het menszijn. Dergelijke fenomenen brengen de subjectiviteit op een benauwd punt waar zij dreigt te verdwijnen, een verlangen naar zelfverlorenheid weerspiegelend. Hier koppelt Thys deze gedachte aan het zijnsverlangen van Sartre, de tendens van een subject om een opzichzelfstaand object te zijn. Thys bespreekt de mogelijkheid dat deze drang naar zelfloosheid het meest wezenlijke aan de mens is. “Deze schemerzone van het onmenselijke is de dichtst mogelijke benadering van de zelfrealisatie als op-zich-voor-zich en dus de meest extreme uiting van het wezenlijke menselijke streven” (Thys, p.239). Thys koppelt Sartre hier expliciet aan Freud, met zijn notie van de doodsdrift, om voor het menselijke een onmenselijkheid te poneren dat intrinsiek is aan ditzelfde menselijke. De fascinatie, volgens Thys, is hierdoor een ervaring waarin het subject het onmenselijke schampt maar er niet mee samenvalt, als een laatste noodrem om de subjectiviteit te behouden. Het ware subject is volgens Thys een ruïne, die juist in zijn vreemde gebrokenheid zijn meest ware aard toont.

Thys zijn fascinum
In het werk Op de rand van het menselijke komt Thys tot een coherente theorie van de fascinatie, een die gekenmerkt is door een diepgaand engagement met een verscheidenheid aan denkers en disciplines. De heldere exploratie van de fascinatie vormt een pleidooi voor de praktijk van de psychoanalyse en biedt een raamwerk om bepaalde ervaringen, zoals trauma, beter te begrijpen. Thys is expliciet in zijn aannames en zijn verwijzingen wat een leidraad biedt voor de lezer om het werk op een alternatieve wijze te lezen, zonder af te doen aan de algehele structuur. Thys’ heldere taalgebruik zorgt ervoor dat het naast een eigen project, ook een goede introductie vormt in verschillende stromingen binnen de filosofie en psychoanalyse. Ondanks dat verscheidene argumentatieve lijnen soms vroegtijdig tot hun einde komen weet Thys de lezer behendig mee te nemen in zijn reflecties en gedachtegangen met betrekking tot de ervaring van de fascinatie. Maar er blijft een spanning tussen het zoeken naar de heelheid in het werk, en de soms losstaande vignetten. In die zin kan men Thys zijn werk zelf lezen als een mogelijkheid om de fascinatie te ervaren, Thys’ eigen fascinum. Onder de theoretische oppervlakte heult Frankenstein samen met Polynices, met als doel de lezer op zichzelf te doen terugvallen, te confronteren met de ruïne die hij zelf, al die tijd al was. 

Kasper Essers

Michel Thys (2021). Op de rand van het menselijke - Filosofisch-psychoanalytische impressies. Antwerpen: Gompel&Svacina, 268 pagina's.
Bestelinformatie: zie hier.