Skip to main content

The Language of Melancholy: A Historical-Philosophical Exploration of Its Potential, Robert Vinkesteijn

Recensie door Andrea Ruissen

Over verdragen, verliezen en de depressieve positie

Er lijkt in onze tijd een geringe tolerantie te bestaan voor depressieve gevoelens. Deze gevoelens werden ooit gezien als een wezenlijk onderdeel van het menselijk bestaan: melancholia of zwarte gal als één van de vier humores aldus ander andere Hippocrates (1). Vandaag de dag wordt zij eerder beschouwd als symptoom (2), als voorteken van disfunctioneren (3), als iets wat zo snel mogelijk kan en moet worden opgelost (4). Somberheid wordt gemedicaliseerd, gediagnosticeerd, behandeld, gefixt (5), schreven ook Horowitz en Wakefield al (2007), waarmee depressieve gevoelens als waardevolle fenomenen verloren lijken. 

Ondanks of dankzij depressiegala's en destigmatiseringscampagnes (6) is je depressief voelen vooral iets wat aandacht moet krijgen omdat het verholpen kan worden. Ook breed ingestoken preventie-activiteiten lijken daar aan bij te dragen: als je er maar snel bij bent, kan het ook in een vroeg stadium weggenomen worden (4). 

Deze houding past binnen een bredere culturele logica: die van individuele veerkracht, positiviteit en maakbaarheid. Het individu wordt geacht flexibel te zijn, zichzelf te reguleren en snel te herstellen van tegenslag. Wie te lang (bijvoorbeeld langer dan twee weken (3)) blijft hangen in zwaarte, wordt al snel gezien als probleemdrager; voor zichzelf of voor zijn omgeving. Dat noemen we dan al snel een depressie. 

Zijn depressieve gevoelens pathologisch?
Tegen deze achtergrond is het passend om een fundamentele vraag opnieuw te stellen: zijn alle depressieve gevoelens werkelijk pathologisch? Of is er een vorm van somberheid die niet duidt op stoornis, maar juist op betrokkenheid, verlies, bewustzijn? Wat als melancholie niet primair iets is dat moet worden bestreden, maar iets wat omarmd moet worden?

In The Language of Melancholy onderzoekt Robert Vinkesteijn precies deze vraag, inclusief melancholische gevoelens en melancholische gedachten. Het boek is geen pleidooi tegen psychiatrie of therapie, maar een cultuurfilosofische en existentiële verkenning van melancholie als fundamentele menselijke stemming. Juist in een tijd waarin psychisch lijden steeds sneller wordt geclassificeerd als psychiatrische ziekte, biedt Vinkesteijn een tegenstem: melancholie is niet per definitie een stoornis, maar een bestaansmodus die vraagt om taal. En door depressieve gevoelens andere taal te geven, en melancholie te noemen, zetten we een belangrijke stap. 

De centrale these van dit boek luidt dat we als cultuur het vermogen zijn kwijtgeraakt om melancholie ruimte en vorm te bieden. Taal, en in brede zin: kunst, literatuur, poëzie, film, muziek, vormt een cruciaal medium om melancholie te dragen, te symboliseren en te delen. 

In de psychoanalytische praktijk is dit een heel bekend gegeven: men streeft er naar om van gevoel naar het spreken, denken, reflecteren te geraken, dus van gevoel naar taal. En dus niet van gevoel direct naar handelen, want als dat wel gebeurt, dan wordt gevoel direct omgezet in actie, ook wel ageren, of acting-out genoemd. Ook symptomen, denk aan depressieve gevoelens, paniekklachten, gedragsproblemen, relatieproblemen, onbegrepen somatische klachten, kun je zien als een actie: ze tonen gevoelens zonder dat er taal aan te pas kwam. Kortom: symptomen zou je kunnen beschouwen als het ontbreken van taal als medium. 

Als taal als medium ontbreekt, dan heeft dat consequenties, zegt ook Vinkesteijn. Als melancholie te weinig in cultuur vorm en ruimte krijgt, dan maakt dat mensen kwetsbaarder voor psychopathologie, niet weerbaarder. Oftewel als depressieve gevoelens, zwaarte, somberheid onvoldoende plek krijgen in de taal, (weer in de bredere zin, dus in kunst, literatuur, poëzie, film, muziek) dan is het effect mogelijk dat mensen, patiënten én behandelaars, minder goed depressieve gevoelens kunnen dragen, en sneller depressieve gevoelens als symptoom, ziekte, stoornis of classificatie gaan zien. 

Om deze ietwat gewaagde hypothese verder te verdiepen, zal ik Vinkesteijns ideeën verbinden met het psychoanalytische gedachtegoed van Melanie Klein, in het bijzonder haar concept van de paranoïd-schizoïde en depressieve positie (7). Zij wordt niet genoemd in zijn boek, en ook de psychoanalyse als theoretisch kader speelt maar een beperkte rol in dit werk. Echter, de posities van Klein bieden een interessant kader om het onderscheid te begrijpen tussen depressieve gevoelens als existentieel gegeven en depressie als stoornis. Maar eerst terug naar het werk zelf. 

Het boek in vogelvlucht
In The Language of Melancholy benadert Vinkesteijn melancholie niet als afwijking, maar als een fundamentele menselijke ervaring die samenhangt met verlies, verlangen en eindigheid. Melancholie verschijnt bij hem niet als iets dat opgelost moet worden, maar als iets dat begrepen, gedragen en verwoord moet worden. Zij is geen fout in het systeem, maar een onvermijdelijk bijproduct van authentiek leven.

Vinkesteijns benadering is expliciet niet klinisch. Hij positioneert zijn boek buiten de kaders van psychiatrie en psychologie en beweegt zich in het domein van filosofie, literatuur, cultuur en geschiedenis. De ondertitel refereert aan een historische, filosofische exploratie. Historisch, als hij laat zien hoe melancholie eeuwenlang werd gezien als een teken van diepgang, reflectie en creativiteit. En filosofisch, als hij onderzoekt hoe melancholie verbonden is met het besef van gemis: dat wat verloren is, dat wat nooit volledig te bezitten valt, dat wat ons overstijgt.

Centraal staat bij Vinkesteijn de rol van taal. Melancholie is volgens hem bij uitstek een modus die zich onttrekt aan directe oplossingen. Zij is diffuus, traag, vaak zonder duidelijke oorzaak. Juist daarom heeft zij taal nodig: niet om haar te verklaren of te neutraliseren, maar om haar te dragen. Taal heeft in die zin een externaliserende functie: door iets in taal te verwoorden ís het niet meer in je, of bén je het niet meer, maar kun je er over praten, er naar kijken, er over denken, anderen er over mee laten denken, mee laten voelen. Kortom, je kan je er toe gaan verhouden. Niet voor niks zegt men wel: 'schrijf het van je af' of 'praten lucht op'. 

De stijl van het boek is essayistisch en literair en bij momenten wat wollig. Dat is niet erg, taal vraagt om woorden en woorden vragen om tijd. Vinkesteijn schrijft associatief, reflectief, en vermijdt strakke conclusies. Dat is tegelijk de kracht en de beperking van het werk. Wat het boek sterk benadrukt, is de culturele en existentieel-ethische waarde van melancholie. Wat impliciet blijft is waarom sommige mensen melancholie kunnen verdragen en er zelfs bijvoorbeeld kunst van kunnen maken, terwijl anderen erin vastlopen. 

Daar precies biedt naar mijn idee het psychoanalytisch gedachtegoed een kader waarin dat wat verhelderd kan worden. De vragen die Vinkesteijn oproept, waarom melancholie soms verrijkt en soms ontwricht, onderzoek ik, zoals al genoemd, met behulp van het werk van Melanie Klein.

Van pathologie naar positie: Melanie Klein en het verdragen van verlies
Melanie Klein beschrijft de menselijke psyche niet in termen van stoornissen, maar van posities (7): dynamische manieren waarop de mens zich verhoudt tot zichzelf en de ander. De posities worden doorlopen in de ontwikkeling van het kind. 

De eerste positie is de paranoïd-schizoïde positie, gekenmerkt door fragmentatie, splitsing en overweldigende gevoelens. In deze positie wordt de wereld opgesplitst in goed en slecht. Angstige of pijnlijke gevoelens worden geëxternaliseerd en toegeschreven aan een vijandige buitenwereld. Ambivalentie is ondraaglijk; complexiteit wordt vereenvoudigd. 

We beginnen allemaal in deze positie: in onze jongste momenten is het de enige manier om ons psychologisch staande te kunnen houden. En ook in latere fasen in het leven vallen we soms terug in deze positie, vooral onder druk. Dat is ook begrijpelijk, vooral in situaties van stress, dreiging of verlies: complexiteit is niet meer te over zien en daar is soms ook de ruimte of tijd niet voor. Een vereenvoudigde blik op de wereld, zwart-wit, goed-slecht, is dan veel aantrekkelijker hoewel vaak niet constructief en bevredigend.

De tweede positie, de depressieve positie markeert een ontwikkeling voorbij deze fragmentatie (7). In deze positie kan de mens goed en kwaad integreren: de ander is niet louter goed of slecht, maar allebei. Hiermee komt ook rouw in beeld: het besef dat men de ander kan liefhebben en tegelijker kan haten, zelf schaden; dat mensen en relaties onvolmaakt zijn; dat verlies onvermijdelijk is. Rouwen is dan ook een centraal begrip in het werk van Klein. De rouwarbeid moet voldoende aangegaan worden om in deze positie te kunnen blijven. 

Klein noemt deze positie “depressief”, niet omdat zij pathologisch is, maar omdat zij gepaard gaat met verdriet, schuld en dus melancholie. Het is de positie waarin men de pijn van het tekort niet langer ontkent, afsplitst, wegmaakt of projecteert, maar erkent. Als mens zijn we in deze positie in staat om 'ons verlies te nemen' zonder daar aan onderdoor te gaan. We kunnen dat wat er is dragen en verdragen en om dat wat er niet is rouwen. 

Cruciaal is het onderscheid tussen de depressieve positie en een depressieve stoornis. De eerste is een ontwikkelingspsychologische verworvenheid; de tweede een toestand waarin deze positie niet langer gedragen kan worden (7). Depressieve gevoelens horen bij psychische volwassenheid. Het onvermogen om ze te verdragen vormt de kern van pathologie, zo is de gedachte. 

Waarom de depressieve positie zo moeilijk vast te houden is
Het vermogen om in de depressieve positie te blijven ontstaat niet vanzelf. Het vereist, zoals we dat dan noemen, een adequate spiegeling en markering door verzorgers: het kind moet ervaren dat zijn affecten worden herkend, benoemd en teruggegeven in hanteerbare vorm (7). Taal speelt hierin een bemiddelende rol. Ouders gaan gevoelens herkennen en benoemen bij het kind, en gaan aangeven in taal wat de gevoelens van het kind zijn, terwijl ze zelf als ouder soms iets anders voelen. Zo kan het kind zicht gaan krijgen op de eigen gevoelswereld op een gedifferentieerde manier: 'wat ik voel, is iets anders dan wat iemand anders voelt' en 'wat ik voel is van belang voor mij en mag ik serieus nemen omdat het voor mij betekenis heeft'. Zo kan nagedacht gaan worden over het eigen gevoel en dat van anderen. 

Wanneer deze ontwikkeling belemmerd raakt, kan het vermogen om de eigen gevoelens te verdragen verstoord raken. Met name onder druk is het dan niet altijd meer goed uit elkaar te halen, welk gevoel van wie is of wat de betekenis is van het gevoel. Gevoelens worden overweldigend, zijn moeilijk te hanteren, worden sneller omgezet in daden, het erover nadenken op genuanceerde wijze lukt niet meer goed. Onder stress, verlies of overbelasting kan men dan terugvallen in de paranoïd-schizoïde positie. Melancholie is er dan niet meer; wat overheerst zijn angst, depressie en andere verwarrende gevoelens, klachten en/of symptomen.

Vanuit dit perspectief is symptoomvorming geen falen, maar een noodoplossing, zegt Klein (7): het symptoom toont wat innerlijk nog niet of niet meer in taal gevat kan worden; er is nog onvoldoende gerouwd. Als ik het werk van Klein lees, lees ik eenzelfde gedachte als die van Vinkensteijn in zijn boek: het probleem bij depressieve gevoelens die depressie genoemd wordt, is niet het te veel aan melancholie, maar een te weinig aan draagkracht (lees: taal) om haar te verdragen.

Melancholie als brug: van affect naar betekenis via taal
Terug dus naar Vinkesteijn. Hij stelt: melancholie is een gevoel dat zich moeilijk laat vastpakken. Zij heeft geen duidelijke oorzaak, richting en geen directe oplossing. Juist daarom vraagt zij om vertaling. Taal ordent, verbindt en maakt deelbaar wat anders ondeelbaar blijft en tot eenzaamheid aanzet. 

Wanneer we taal breed opvatten, dus inclusief literatuur, kunst, muziek, film en poëzie, zien we hoe cultuur en allerlei culturele uitingen eeuwenlang fungeerden als drager van melancholie. Kunst lost melancholie niet op, maar biedt een vorm waarin zij kan bestaan zonder destructief te worden. In Kleiniaanse termen: zonder mensen terug te laten vallen in die paranoïd-schizoïde positie. Taal maakt het mogelijk om melancholie te omarmen en in de depressieve positie te blijven: om verlies, pijn, schuld te erkennen zonder eraan ten onder te gaan.

Onze huidige cultuur is sterk oplossings- en prestatiegericht, vinden we doorgaans. Er is weinig ruimte voor traagheid, rouw en ambiguïteit. Er is niet veel tijd om te verdragen, om te denken, mijmeren, filosoferen, spreken en te reflecteren. Melancholie heeft dat wel nodig om te bestaan en vorm te krijgen in taal en cultuur. Alleen dan kan melancholie zíjn. 

Dat zorgt voor een paradoxale hypothese: juist door ruimte voor melancholie te beperken, in cultuur én in de spreekkamer, neemt psychopathologie toe. En ook: door taal voor melancholie te beperken, en snel het woord ‘depressie’ te gebruiken in cultuur én in de spreekkamer, neemt psychopathologie toe. Symptomen worden talrijker, diagnoses frequenter, classificaties overheersender. The Language of Melancholy fungeert hier als tegenstem: een pleidooi voor herwaardering van melancholie als betekenisvolle ervaring

Hoe dan?
Robert Vinkesteijn geeft zelf het goede voorbeeld door in zijn werk veel taal- en cultuuruitingen aan te halen. Hij noemt werk van bijvoorbeeld Vincent van Gogh, Wagners symfonieën, filosofische werken, hij citeert poëzie en romans. Eén voorbeeld licht ik uit: de film Melancholia van Lars von Trier (in het boek pp 225 e.v.), onderdeel van diens onofficiële depressie-trilogie met de films Antichrist en Nymphomeniac. Vinkensteijn construeert aan de hand van Melancholia en onder andere interviews met Von Trier dat deze film gezien kan worden als kunstzinnige vertaling van Von Triers eigen hedendaagse particuliere depressieve ervaring in de taal van de melancholie. 

De film vertelt het verhaal van Justine (gespeeld door Kirsten Dunst) wier bruiloft een flop is, haar werkgever een zak en haar relaties onbevredigend, en dat alles tegen de achtergrond van een verdwaalde planeet die de aarde spoedig zal raken en volledig zal verwoesten. De diepste en donkerste melancholische fantasie, aldus Vinkesteijn, want: het betreft hier het daadwerkelijke einde van deze hele wereld, en dan ook nog met zoveel kracht en schoonheid verbeeld. 

Hij voegt er nog even zuinigjes aan toe: zo’n catharsis van het aanschouwen van de waarheid en realiteit van de melancholische ervaring in alle schoonheid en horror kan nooit bereikt worden in de spreekkamer of in een zelfhulpboek. Dit is iets wat ik zou willen bestrijden, catharsis kan wel degelijk in een therapie optreden. Interessant is dan ook de vraag of het maken van Melancholia voor Von Trier een (stap richting) catharsis betekende wat betreft zijn depressieve klachten: was het geven van taal, in dit geval in de vorm van een film, misschien zelfs helend? Vinkesteijn vermijdt, zoals al genoemd, de klinische route, dus daar gaat dit boek verder niet op in. 

Wel wordt uiteengezet dat Von Trier inderdaad uit eigen ervaring put. Hij vertelt dat toen hij depressief was, de hele wereld depressief voelde. Niet zozeer de mensen om hem heen veranderden, maar de hele wereld; alles veranderde toen hij depressief was. Melancholie is dan geen subjectieve ervaring meer, maar gaat voelen als onderdeel van de objectieve wereld. (8) De melancholie wordt een waarheid in zichzelf. Klein zou in dat kader wellicht verwezen hebben naar de paranoïd-schizoïde positie, voeg ik daaraan toe. 

Waar het Vinkesteijn om gaat is dat in de film Von Triers depressieve stemming op een sympathieke, niet-pathologische en niet-pathologiserende, immersieve wijze vertaald of hertaald wordt voor de kijker. Rechtdoend aan de ervaring, geeft dat een borging van melancholie in de wereld. Ook legt de film een aantal krachten van melancholie bloot: nieuwe verrassende perspectieven op de werkelijkheid, de weerstand die melancholie kan bieden tegen oppervlakkigheid, en het besef dat vanuit melancholie een andere logica kan ontstaan die wellicht ook zeer verrijkend is, zo betoogt Vinkesteijn. Melancholie kan zelfs, zo laat de film zien, mensen verbinden middels nieuwe narratieven; bijvoorbeeld dat Justine in staat blijkt met haar zus en neefje echt contact te maken en hen mee te nemen in een gezamenlijke liefdevolle voorbereiding op het onvermijdbare einde der tijden. 

Minder stoornis, meer positie
Vanuit dit perspectief kan men stellen dat wanneer melancholie er mag zijn –dat verdriet, angst, boosheid, rouw meer ruimte en vorm kunnen krijgen, taal krijgen, of zogezegd verdragen kunnen worden– dat pathologie wel eens zou kunnen afnemen. Vanuit behandelperspectief betekent dit een verschuiving van oplossing naar verdraagzaamheid: niet alles hoeft gefixt, sommige dingen moeten worden uitgehouden en verwoord worden, beluisterd worden, gehoord worden, beschouwd worden om er te mogen zijn en om verdragen te kunnen gaan worden. In het dagelijks leven kan melancholie zo worden gezien als teken van betrokkenheid. Heel kort door de bocht: door depressieve gevoelens als onderdeel van een melancholische stemming er te laten zijn, verkleint men het risico op depressieve stoornissen.

We keren terug naar de centrale these, namelijk dat we als cultuur het vermogen zijn kwijtgeraakt om melancholie ruimte en vorm (lees: taal) te bieden. Melancholie is geen vijand, maar een kwetsbare bondgenoot. Taal is geen luxe, maar een psychische noodzaak. De depressieve positie is geen pathologie, maar een broze verworvenheid die onderhoud vergt. En dat onderhoud plegen we door middel van de taal in al zijn culturele uitingsvormen, zo kunnen we samen rouwen. 

The Language of Melancholy is in dat opzicht een belangrijk boek. Het herinnert ons eraan dat psychische gezondheid misschien minder te maken heeft met genezen, en meer met leren blijven bij wat rauw is — zonder eraan kapot te gaan. Want zoals Vinkesteijn zijn boek besluit: “melancholie, en zwarte gal, is een koppige substantie, (…) te obstinaat om zo maar vanaf te geraken. Ze behoren tot onze natuur als eindige wezens. (…) Net zoals de herfst na de winter komt, en de nacht na de dag, zo valt een portie melancholie op een dag ook ons ten deel”. En dan kun je maar beter taal, in welke vorm dan ook, tot je beschikking hebben om dat te kunnen dragen – het zou immers, net als in Melancholia, zomaar kunnen bijdragen aan liefdevolle verbinding.

Andrea Ruissen, psychiater en filosoof

1.Russell, B. (2004). Geschiedenis van de westerse filosofie (vert. onbekend). Utrecht: Het Spectrum.
2.Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Werkgroep Depressie. (2024). Multidisciplinaire richtlijn Depressie (4e rev., 23 mei 2024). Richtlijnendatabase. https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/depressie
3.American Psychiatric Association. (2014). Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5). Boom.
4.GGZ Standaarden. (2018). Zorgstandaard Depressieve stoornissen. Akwa GGZ. https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/depressieve-stoornissen
5.Jerome C. Wakefield, & Allan V. Horwitz. (2007). The loss of sadness: How psychiatry transformed normal sorrow into depressive disorder. Oxford University Press.
6.https://www.depressiegala.nl/
7.Melanie Klein. (2021). Het kind in ons. Uitgeverij Sjibbolet.
8.Ruissen, A. M. (2025). Fenomenologie als brug. Tijdschrift voor Psychotherapie, (4), 260.

Robert Vinkesteijn. (2026). The Language of Melancholy:  Historical-Philosophical Exploration of Its Potential. New York & Londen: Routledge, zie hier. 254 blz. PDF (gratis) via taylorfrancis.com, zie hier.