Skip to main content

'Onverbreekbaar. Verhalen over moeders en dochters', Rachel Aviv

Recensie door Bram de Ridder

Rachel Aviv publiceerde haar tweede boek, Onverbreekbaar. Haar eerste boek, de wereldwijde bestseller Vreemden voor onszelf, is een van de mooiste boeken over psychisch lijden die ik recent heb gelezen. Ik schreef daar hier eerder over. Dat was de reden dat ik met hooggespannen verwachtingen dit tweede boek las. 

Onverbreekbaar herbergt verhalen over moeders en dochters. Zo getuigt de subtitel en zo is het ook. Alle geportretteerde mensen zijn moeder en/of dochter en de verhalen hebben de moeder-dochterrelatie als focus. Ik ben zelf geen moeder, en ook geen dochter. Ik ben zoon van een moeder. En ik las Onverbreekbaar met mijn baby van acht weken oud slapend op mijn borst. Zijn huid op mijn huid. Het voelde alsof we elkaar voedden. Het zal mijn leeservaring hebben beïnvloed, op de een of andere manier.

Aviv haalt filosofe L.A. Paul aan die de keuze om een kind te krijgen omschrijft als een ‘speciaal soort epistemische situatie’, een ervaring die ‘fundamenteel en diepgaand verandert hoe het is om jou te zijn’. Het is een voorspelling die Rachel Aviv zelf, zo schrijft ze, met haar eigen kinderwens, angst inboezemde. Waarna een vriend van haar opmerkte dat Aviv niet per se een gelukkige indruk maakte: waarom wilde ze dan met alle geweld hetzelfde blijven?

Ik herken me in deze angst en ook in de opmerking van deze vriend. Het is dit type passages waarin Aviv voor mij uitblinkt. Ze legt het ene perspectief (hier: de angst voor diepgaande verandering) naast het andere (ze was niet bepaald gelukkig, waarom zou ze niet willen veranderen) en voegt daar vervolgens niet veel duiding aan toe. Hooguit een voorlopige hypothese, misschien zit het zus of zo. Of een handeling: Aviv kreeg twee kinderen. Op deze manier ervaar je als lezer dat waarachtigheid zelden consistent is of eenduidig. Hier wordt leven beschreven. Ik lees wat het is om mens te zijn. 

In Onverbreekbaar staan zes mensen, moeders en dochters, centraal wier levens uitzonderlijk verlopen. Aviv citeert filosoof en psychiater William James die stelt dat inzicht in uitzonderlijke, bizarre gevallen ‘van het allergrootste belang is voor inzicht in onze menselijke aard.’ Dat is, zou je kunnen zeggen, de Aviv-methodiek: inzoomen op op het oog extreem, afwijkend gedrag en dat vervolgens heel minutieus bestuderen, daarbij gebruikmakend van veel verschillende bronnen, van diverse perspectieven. Zo is Aviv in staat levens, en belangrijke afslagen daarin op een manier te documenteren die dichtbij de geleefde ervaring voelt. 

Aviv begint Onverbreekbaar met een inleiding waarin ze stilstaat bij de relatie met haar eigen moeder. Ze beschrijft hoe haar moeder in het begin van Avivs journalistieke carrière haar artikelen van commentaar voorzag en dat deze commentaren gaandeweg steeds meer de kwaliteit kregen van een betrekkingswaan [1].  In veel van de stukken dacht haar moeder verwijzingen naar zichzelf of naar de relatie met haar dochter terug te zien. Aviv schrijft: ‘Moederschap zou je een soort chronische betrekkingswaan kunnen noemen. Zolang kinderen nog klein zijn is het terecht om elk gebaartje of geluid te interpreteren. Maar terwijl het kind zich stap voor stap van de moeder losmaakt, blijft zij in die interpreterende staat van paraatheid steken, nog altijd gespitst op signalen die niet langer voor haar bedoeld zijn.’ Een paar passages later citeert Aviv romancier Yiyun Li die schrijft: ‘de essentie van volwassen worden is verstoppertje spelen met je moeder en winnen’. 

Het deed me onwillekeurig denken aan twee dingen. Allereerst: mijn eigen constant interpreterende staat van paraatheid ten aanzien van mijn kind, waarvan ik overigens niet goed weet hoe die zich verhoudt tot de constant interpreterende staat van paraatheid van de moeder in kwestie. Het tweede waaraan ik moest denken was één van mijn eerste eigen gepubliceerde korte fictieverhalen, getiteld ‘Mijn vaders zoon’, over de relatie tussen een ik-personage en zijn vader. Ik was toen tweeëntwintig en ik liet het mijn ouders lezen. In het gesprek dat volgde verwarde mijn moeder af en toe de ik-figuur en de vader uit het verhaal met mij en mijn vader. Vervolgens verbeterde mijn vader mijn moeder. Ze hadden allebei gelijk. Anders gezegd: de verwarring klopte óók. Of met de woorden van Yiyun Li: ik speelde verstoppertje met mijn ouders, en waarschijnlijk ook met mezelf.

Ik vind Aviv op haar sterkst wanneer ze dat laat zien: dat de verwarring ook klópt. Zo verhaalt ze in Onverbreekbaar over de dissociatieve fugues [2] van een jonge vrouw, Hannah Up, die steeds in eenzelfde periode van het jaar plaatsvinden. Uit Avivs onderzoek blijkt dit rondom de datum te zijn waarop haar moeder was uitgerekend voor een eerdere baby die ze door vroeggeboorte had verloren. De meerdere malen terugkerende fugue, de ‘onbewuste zelfverbanning’, bleef een ongrijpbaar maar gaande het lezen van het verhaal ook steeds beter mee te voelen fenomeen. Aviv laat zien hoe ogenschijnlijke verwardheid, vanuit een andere zienswijze, of meer symbolisch benaderd, betekenisvol kan zijn én hoe pijnlijk en schadelijk het kan zijn die betekenis te negeren. Dat maakt haar eerdere boek Vreemden voor onszelf met vergelijkbare portretten als dat van Hannah Up, zo ontzettend relevant voor de psychiatrie: evident wordt hoe onvolkomen het idee is dat we de mens, of diens psyche, eenduidig kunnen begrijpen en ook hoe aanmatigend en contraproductief het handelen naar dit idee, hoe goed bedoeld ook, kan zijn. We blijven vreemden voor onszelf en voor elkaar. 

En de paradox is, dat wanneer we mét die wetenschap onszelf en de ander benaderen, we dichterbij komen. (Ik dacht bij herlezen van de voorgaande zin: dichterbij wat dan? En nu denk ik: dichterbij de bewegingen in onszelf en in de ander).

In Onverbreekbaar toont Aviv vrouwen die beslissingen nemen, of beter gezegd beslissingen ‘doen’, die even onbegrijpelijk als begrijpelijk, even invoelbaar als oninvoelbaar zijn. Zo ‘kiest’ in het indringende verhaal ‘Alsof ze mijn dochters waren’ de Filipijnse Emma er net als veel andere Filipijnse moeders voor om in de Verenigde Staten als nanny te gaan werken en zo haar kinderen financieel een beter heden en een betere toekomst geven. Ze blijft echter de keuze om zelf terug te keren naar haar kinderen uitstellen. Aan het eind van het verhaal is er nog altijd de belofte dat Emma ooit haar inmiddels ruim volwassen dochters weer in levenden lijve zal zien. ‘Er komt een dag, als God het wil’, schrijft een van haar dochters haar. 

Emma’s verhaal had, met andere accenten, een pamflet tegen de liefdeloosheid van kapitalisme kunnen zijn, of met weer andere accenten een veroordeling van de keuzes van een moeder of met nog weer andere accenten een ode aan de opofferingsgezindheid van de moeder. Maar Aviv laat deze accenten en daarmee haar oordelen thuis. Ze beschrijft. Vanuit de één en vanuit de ander, vanuit een psychologisch perspectief, vanuit een sociologisch perspectief, vanuit een existentieel perspectief, vanuit een spiritueel perspectief. 

Een heel ander voorbeeld hiervan is het indrukwekkende ‘God weet me wel te vinden’ over de zich steeds meer in haar eigen ervaringen opsluitende Linda Bishop. Linda groeit op in een gezin waarin haar adoptie altijd is verzwegen. Als tiener raakt Linda zwanger van een kind dat ze vanwege haar psychische gesteldheid gedwongen moet afstaan (niet wetende dat haar biologische moeder iets vergelijkbaars had meegemaakt). Later wordt Linda nogmaals zwanger van een dochter, waar ze aanvankelijk wel voor kan zorgen, zij het in een ietwat symbiotische relatie, maar die zich uiteindelijk uit zelfbescherming genoodzaakt voelt het contact met haar moeder te verbreken. Linda kampt met paranoïde overtuigingen, is vaak op de vlucht, zwerft over straat en komt in psychiatrische klinieken terecht. In haar beleving blijft ze lang nog een familiemens en goede moeder, ondanks het feit dat ze zich gaandeweg van al haar dierbaren vervreemdt. 

In dit verhaal noemt Aviv het voor mij nieuwe en tegelijk, ook uit de psychiatrische praktijk, herkenbare fenomeen van een ‘dubbele boekhouding’. Mensen zijn, of ze nu wanen hebben of niet, vaak in staat tot op zekere hoogte verschillende (tegenstrijdige) realiteiten te accepteren. Het kunnen hanteren van een dubbele boekhouding is niet onbegrensd. Zo vermeed Linda gaandeweg steeds meer de mensen die haar overtuiging (dat ze achterna werd gezeten en dat God haar zou redden) op de proef stelden. Uiteindelijk stierf Linda in een gekraakt huis in een koude winter nadat ze een seizoen lang alleen maar appels van de boomgaard had gegeten en gewacht had op tekens van God. Sinds ik dit verhaal las, denk ik over de mensen die ik zelf in mijn werk als psychiater tegenkom, steeds vaker dat hun terugtrekkende bewegingen en neiging tot isoleren misschien wel in belangrijke mate het gevolg zijn van een dubbele boekhouding die te zwaar op hen drukt. 

Ook in de verdere verhalen laat Aviv zien hoezeer het vermogen om te midden van verschillende realiteiten een zekere continuïteit in de eigen identiteit te blijven ervaren onder druk kan komen te staan. Veel verhalen illustreren bovendien op een heldere manier hoe strevingen of herinneringen die er niet mogen of kunnen zijn, vaak op een andere manier hun weg vinden in levens. 


Maar er wringt ook iets in dit boek, althans voor mij. En dat begint in de inleiding en misschien zit het wel alleen maar in de inleiding, maar die inleiding zet wel de toon en bepaalt uiteindelijk ook in welk licht ik de verdere verhalen lees. Om dit te verhelderen wil ik nog eens terugkeren naar het citaat over de betrekkingswaan. 

“Moederschap zou je een soort chronische betrekkingswaan kunnen noemen. Zolang kinderen nog klein zijn is het terecht om elk gebaartje of geluid te interpreteren. Maar terwijl het kind zich stap voor stap van de moeder losmaakt, blijft zij in die interpreterende staat van paraatheid steken, nog altijd gespitst op signalen die niet langer voor haar bedoeld zijn.”

Ik vind dit een mooie, herkenbare passage die ik graag voor een tweede keer citeer. Maar er gebeurt hier ook iets raars. Door alle geportretteerde levens in Onverbreekbaar te begrijpen in het licht van de moeder-dochter-relatie doet Aviv iets vergelijkbaar betrekkingswaanachtigs. De moeder-dochter-relatie vormt de bril waarmee ze kijkt en wordt tegelijkertijd aangedragen als min of meer verklarend, in elk geval als relevant voor haar verhalen. Alsof de uiteenlopende levensgebeurtenissen toch op de een of andere manier samenhangen met wat er nu eenmaal gebeurt tussen moeders en dochters. Aviv lijkt zich dit probleem ook te realiseren, zo schrijft ze óók in de inleiding: ‘Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot verhalen waarin het perspectief niet vastligt. Met name de moeder-dochterrelatie laat zich niet in één vaststaande optiek vangen.’ 

En het opvallende is dat ze die relatie ook inderdaad niet in één optiek vangt. Ik heb als lezer niet het idee dat ik dichterbij het ‘wezen’ van de moeder-dochter-relatie ben gekomen met dit boek, zelfs niet bij die van de ouder-kind-relatie. De verhalen in Onverbreekbaar zijn te verschillend om een dergelijk algemeen inzicht op te leveren. De inleiding suggereert wat mij betreft dan ook een grotere verklarende samenhang dan de verhalen waarmaken. 

Aviv schrijft in de inleiding dat het haar bij herbestudering van haar werk opviel hoe vaak ze had geschreven over ‘dochters die zich voor hun moeder verbergen of over moeders die bepaalde aspecten van hun karakter ontkennen die hun dochters wél zien, of over moeders en dochters die in hun dienstbaarheid jegens de ander zichzelf dreigen te verliezen’. Voor Onverbreekbaar nam ze een aantal van die publicaties opnieuw ter hand, redigeerde ze en veranderde ze, soms drastisch. Veel van de verhalen schreef ze in eerste instantie toen ze nog geen moeder was. Ze waren, stelt Aviv, geschreven vanuit haar ‘optiek als dochter. Ditmaal benader ik ze vanuit een ander perspectief, omdat ik toen, zo voelt het althans, geen oog had voor de tragiek van de moeder – haar hunkeringen, vernederingen en behoeften’. 

Zo had Aviv in haar eerste publicatie over de dissociatieve fugues van Hannah Up de vroeggeboorte en dood van het eerdere kindje van haar moeder in het geheel niet genoemd. Aviv had in die eerste publicatie de fugues begrepen als ‘een extreme manifestatie van wat wij als twintigers die met onze identiteit worstelen allemaal doormaken’. Ook aan het verhaal over Linda Bishop voegde ze lagen toe. In eerste instantie had ze het verhaal gethematiseerd rondom falende psychiatrische zorg. Pas bij het herbestuderen van haar notities en het nog verder duiken in Linda’s levensverhaal ontdekte Aviv de herhaling van het adoptietrauma en de breuk met haar latere dochter.

Op dit punt wekt Aviv de suggestie van voortschrijdend inzicht: ze heeft haar teksten verbeterd, verbanden ontdekt die ze eerst over het hoofd had gezien of links had laten liggen. En hoewel ik me dat idee van verbetering kan indenken bij beide voorbeelden, is het niet ‘des Avivs’ om zo te denken (of is het althans niet conform mijn beeld van haar). Als Rachel Aviv als Rachel Aviv naar Rachel Aviv zou kijken, dan zou ze haar oorspronkelijke teksten naast haar gereviseerde teksten leggen en wijzen op de verschillen en op hun eigen waarheden. Ze zou bovendien de veranderingen in de teksten in verband brengen met veranderingen in haarzelf. Denk ik. Ze denkt dit mogelijk zelf ook, getuige haar opmerking dat haar jongere versie hier en daar vermoedelijk verontwaardigd zou zijn geweest over de doorgevoerde veranderingen. 

Wacht. Ik aarzel nu. Verkeer ik op dit punt in de bespreking niet zelf in een soort betrekkingswaan? Ik verbind dit boek van Aviv aan het ijkpunt Aviv, alsof de blik van Aviv niet altijd al meerduidig, bewegend en feilbaar was. En feilbaar is hier een moeilijk woord, want waar ijk je dan het al dan niet feilen aan? Ik denk nu dat veel boekbesprekingen en recensies van een betrekkingswaan getuigen: de pretentie te weten hoe het betreffende boek geïnterpreteerd dient te worden. 

Om daar niet verder in te verdwalen, moet ik misschien terug naar mijn leeservaring, die heel particuliere manier waarop mijn hart en hoofd werden bewogen. Met het lezen van haar eerste boek, Vreemden voor onszelf nam ik haar blik over, met gretigheid en graagte, ik wilde ook zo kijken, zo scherp, helder en consistent. Ik ervoer haar als onfeilbaar. Steeds nam ze de juiste posities in om iets of iemand van alle relevante kanten te kunnen belichten en tegelijkertijd hanteerde ze de juiste afstand om geen vooringenomenheid of vertekeningen in haar waarnemingen te laten bestaan. 

Maar je zou, denk ik na het lezen van Onverbreekbaar, ook kunnen stellen dat Aviv in Vreemden voor onszelf zichzelf verstopte en dat ze zich in Onverbreekbaar onbedoeld meer laat zien. Ik bewonder Aviv omdat ze de neiging weerstaat om menselijke levens in een sluitende interpretatie onder te brengen. En nu blijk ik haar dus zelf in een interpretatie te hebben ondergebracht, die van de schrijver die ons leert niet eenduidig te denken. En als haar toon dan stelliger, normatiever of stekeliger wordt, wringt dat. Dat merk ik bijvoorbeeld in het slotstuk van haar boek, het geruchtmakende essay over schrijver en Nobelprijswinnares Alice Munro die het misbruik van haar dochter verwerkte in haar verhalen, terwijl ze privé de dader, haar partner, bleef verdedigen. Aviv schrijft: ‘Je zou hopen dat een schrijver die het misbruik van haar dochter omzet in kunst esthetisch gestraft zou worden, maar de verhalen van Alice winnen alleen maar aan kwaliteit’. Ik weet niet of deze zin me tegenstaat omdat Aviv hier moraliseert, of omdat ik het niet met haar eens ben, of omdat ik haar niet herken in het vergeldende karakter van de zin. Maar het voelt, andermaal, niet ‘des Avivs’. Maar het is natuurlijk wel gewoon Rachel Aviv. 

Aviv maakt voor haar portretten gebruik van rijk en intiem bronnenmateriaal: dagboekaantekeningen, appjes, brieven, telefoongesprekken. Die rijkdom maakt dus ook dat ze hoe dan ook heeft moeten kiezen wat ze gebruikt om haar verhaal mee te illustreren. En veel meer dan bij Vreemden voor onszelf begon ik daarover na te denken. Misschien ook omdat ze er zo expliciet voor koos om voor Onverbreekbaar in een aantal verhalen andere lagen te benadrukken en dus andere versies van levens op te tekenen dan in de oorspronkelijke publicaties. Ik denk nu aan mijn eigen dagboekaantekeningen van de afgelopen maanden, en ook aan de appjes en telefoongesprekken die ik heb besteed aan wat ik allemaal voelde en dacht rondom het krijgen en nu hebben gekregen van een kind. Mijn zoontje maakt sinds gisteren nieuwe geluiden. Ik denk aan welke verschillende versies van ‘de prille band tussen vader en zoon’ te kiezen zouden zijn. 

Door bestaand materiaal opnieuw te ordenen, wordt er een nieuwe samenhang zichtbaar, of: gecreëerd. Het verschil daartussen is niet altijd duidelijk. Dat geldt voor Avivs schrijven, voor een psychiater die met een patiënt gebeurtenissen (re)construeert, en voor degene die een boek bespreekt. Misschien is er steeds sprake van een dubbele boekhouding: we willen betekenis ontrafelen terwijl we ergens weten dat we die gelijktijdig produceren. En wat nu? Verstop ik me achter deze constatering? Of durf ik te zeggen dat ik Vreemden voor onszelf beter vond? Ja. Omdat dat boek voor mij primair ging over processen van betekenisgeving, terwijl Aviv in Onverbreekbaar net wat meer op zoek lijkt naar het al dan niet kloppen van de uitkomsten van die processen. 

Bram de Ridder - psychiater, socioloog en schrijver

Rachel Aviv. 'Onverbreekbaar. Verhalen over moeders en dochters'. Uitgeverij Atlas Contact, meer informatie. 

[1] De vertaler vertaalt delusion of reference met het minder gebruikelijke ‘referentiewaan’.
[2] Bij een dissociatieve fugue vertrekt of vlucht iemand, ogenschijnlijk zonder doel of reden, ergens naartoe, zonder dit zich naderhand te kunnen herinneren.