Skip to main content

Kuur, duur, avontuur. Drie essays over de tijd in psychoanalyse, Michel Thys.

Recensie door Wouter Kusters

Sinds jaar en dag geeft Uitgeverij Sjibbolet fraai werk uit op het grensgebied van filosofie, theologie en psychoanalyse, en ter gelegenheid van haar derde lustrum verscheen dit boek over de tijd in psychoanalyse door Michel Thys. Deze Vlaamse auteur is psychoanalyticus en filosoof, en kan bogen op een imposante reeks eerdere werken op dit grensgebied, zoals het ook hier gerecenseerde Op de rand van het menselijke. Met zijn laatste uitgave wendt Michel Thys zich naar het kloppend hart van de psychoanalytische therapie: het praten over wat ooit geschiedde, in relatie tot wat gaande is en wat verwacht kan worden. Oftewel het praten over de tijd en de geschiedenissen, in een daarvoor vrijgemaakte in concrete sessies afgebakende tijd van de therapie. De titel ‘Kuur, duur, avontuur’ rijmt mooi en geeft ook een kernachtige verwijzing naar de drie verschillende essays in dit boek. 

In het eerste van de drie essays geeft Thys een historisch overzicht van welke houdingen men in verschillende psychoanalytische stromingen had ten opzichte van de tijd, het verleden, de herinnering en de geschiedenis. Er zijn twee extreme posities te onderkennen. Allereerst is dat de klassieke positie van de ‘historisering’ die Thys met name ziet in het vroege werk van Freud. Het adagium daar is “Niet herhalen, maar herinneren”; in de therapie zouden de zich herhalende uitingsvormen van een traumatisch verleden moeten worden opgehelderd, om zo bij verdrongen herinneringen aan vroegere gebeurtenissen te komen. De therapie zou naar een weggestopte waarheid met de daarbij behorende emoties uit het verleden moeten zoeken, om zo de zich herhalende en beperkende patronen van de analysand te doorbreken. De focus in deze eerste positie ligt op objectieve waarheidsvinding over gebeurtenissen uit het verleden. Het heden, de psychische toestand van de analysand, en het gesprek in de behandelkamer zijn in eerste instantie slechts gevolgen van die gebeurtenissen uit dat eerdere verleden. Het verleden bepaalt het heden. En door te graven in het verleden, weggestopte herinneringen boven te laten komen, zou de analysand dus het verleden af kunnen schudden. De dynamiek en voortgang van de therapie bestaat er hierbij in dat tijdens de ‘overdracht’ het verleden op voor de analysand nog onbewuste manier wordt herhaald, waarbij hij of zij zich in dit proces op zeker moment iets bewust wordt van het verleden, waardoor de herhaling doorbroken kan worden.

Dit is een bekende bijna clichématige opvatting over wat therapie in het algemeen, en psychoanalyse in het bijzonder inhoudt, waar Freud zelf overigens veel aan heeft bijgedragen. Volgens Thys doet dit echter geen recht aan wat er in feite gebeurt – en ook dient te gebeuren - tijdens psychoanalyse. Tegen de achtergrond van deze eerste, extreme positie schetst Thys drie posities na Freud in de psychoanalyse, waarin veel minder aan feitelijke, historische waarheidsvinding wordt gedaan, en de nadruk meer komt te liggen op het gebeuren in de spreekkamer op het moment van de interactie zelf. Deze drie posities zijn die van actualisering, dehistorisering en posterioriteit, en Thys bespreekt hierbij de opvattingen van o.a. Sandor Ferenczi, Melanie Klein en Wilfred Bion. In toenemende mate wordt na Freud de herhaling niet langer gezien als datgene dat doorbroken moet worden – dat ‘weerstand’ is - op zoek naar een waarheid, maar meer als een actueel gebeuren dat waarde heeft in zichzelf. Waar in de taal in de spreekkamer, of op de sofa, aan wordt gerefereerd, kan wel betrekking hebben op een tijd buiten het actuele nu, maar het kan ook een droomtijd (Bion) betreffen, of een innerlijk ervaren tijd los van wat er objectief geschiedde (Klein). Deze drie posities onderscheiden zich van de klassieke positie doordat eventuele verhalen die tot stand komen naar aanleiding van de psychoanalyse eerder de functie hebben om de analysand tot een vrijere, creatievere relatie met zichzelf en met anderen te laten komen, dan dat er aan historische waarheidsvinding wordt gedaan. Het herhalen dat bij Freud nog als weerstand of blokkade voor het echte herinneren wordt gezien, is bij de latere psychoanalytici niet meer zo scherp onderscheiden van zich herinneren. Dit heeft er mede mee te maken dat de vroegste ervaringen van een mens zich niet laten representeren in talige constructies, maar slechts blijven bestaan in (p.33) ‘impliciete relatiepatronen die zich ‘vanzelfzwijgend’, in stilzwijgende overtuiging, herhalen in de relatie tot de analyticus’. Het verleden verandert in deze drie posities in een subjectieve constructie, het is (p.36) ‘niet iets wat zich in het heden herhaalt en waar naar teruggegrepen kan worden, neen, het verleden wordt gemaakt, en wel nu.’

Het aantrekkelijke van Thys’ analyse is dat hij weliswaar in de tekst vijf posities onderscheidt, maar tegelijk laat zien dat er allerlei dwarsverbanden en overlap tussen deze zijn, en dat de verschillende psychoanalytici, inclusief hijzelf, zich met verschillende posities, gedachtelijnen en overwegingen tussen en met elkaar uiteenzetten. Voor zowel analytici als analysanden kunnen deze bespiegelingen verhelderend en inspirerend zijn om zich over hun eigen bezigheden en therapie te buigen. En tegelijk overstijgt dit eerste essay de concrete praktijk van de kuur, en worden hierin al de voortzettingen ervan in de duur en het avontuur aangekondigd. Dit geldt met name voor de vijfde positie, het andere extreem, die van de ‘nataliteit’. In die positie worden de ervaringen, de woorden en de interacties in de psychoanalytische setting gezien als iets nog ongekends, als iets dat werkelijk nieuw is, zonder verbinding met het oude. Er vindt schepping plaats uit het niets, de ervaring staat afgezonderd van de historische inbedding. Thys kan zich beter vinden in de drie middenposities, waardeert weliswaar ook dit idee van de nataliteit, maar waarschuwt ook voor al te heftige disrupties, discontinuïteiten en breuken met het verleden (p.42): ‘een ervaring die ik helemaal niet kan thuisbrengen, kan in en ondanks de verwelkomende aantrekkelijkheid ervan tegelijk ook beangstigend zijn’, maar sluit zich ook weer wel aan bij wat Bion zegt ‘mentale groei vindt plaats in een tijdloos tussen’ (p.44). Thys merkt op dat in deze vijfde positie van nataliteit het onbewuste gezien wordt als een aspect van “Eros”, als iets dat stroomt, veranderlijk is, en voortschrijdt op weg naar vernieuwing. Dit contrasteert met de eerste, freudiaanse visie waarin het onbewuste juist een zich doods herhalende drift is, gericht op onveranderlijkheid, of zelfs op destructie, in het teken van Thanatos. 

Eros en Thanatos spelen ook een rol op de achtergrond in het tweede essay, over de duur. Dit essay gaat over de duur zoals de vroeg twintigste eeuwse Franse filosoof Henri Bergson deze omschreef. Dit is het langste essay uit het boek, dat in feite het eerste essay verder verwerkt, en de verschillende posities daar in termen van Bergsons filosofie van tijd bespreekt. Bij Bergson draait het om de notie van iets als innerlijke of subjectieve tijdservaring, die wordt gecontrasteerd met een uiterlijke tijd van de klok, van de natuurwetenschappen en van de objectieve geschiedschrijving. Deze tegenstelling speelt al een rol in de Griekse filosofie, en is daarna verder uitgewerkt door onder andere Augustinus, de analytische filosofie van McTaggart, de fenomenologie van Husserl, en de hermeneutische benadering van Ricoeur. Samengevat gaat het steeds om een schijnbaar onoplosbare tegenstelling, die van innerlijke versus uiterlijke tijd, van subjectief ervaren versus objectief meetbare tijd, van de tijd van het bewustzijn, de psyche of de geest versus de tijd van de natuur, de wereld of de kosmos. In de tijdsfilosofie van Bergson speelt op de achtergrond de toenemende rationalisering en mechanisering van de wereld mee; de toename van het berekenende management van sociale en economische processen en van het belang van het afstemmen op elkaar van tijden – denk hierbij aan de treinen die op tijd moesten rijden en de verdeling en beheersing van arbeidsprocessen, zoals die van de lopende band. In de technologisch-wetenschappelijke houding stond het belang van objectieve meting en efficiënte beheersing van tijd centraal. En ook in de prille wetenschap van de psychologie probeerde men de psyche of geest van de mens te vatten als iets berekenbaars, voorspelbaars, en beheersbaars. Tegen deze achtergrond ontstonden er tegenbewegingen in de cultuur en de filosofie, die zich meer op de Romantische aspecten van de Verlichting richtten – het organische, vitale, creatieve -  dan op de rationeel-wetenschappelijke – het mechanische, doodse, voorspelbare. Bergson ontwikkelde een filosofie van de tijd, met als belangrijk kernbegrip dat van de duur, dat een tegenwicht bood tegen de mechanische kloktijd, de dwang van het ritme van de lopende band, en de objectiverende blik van de natuurwetenschapper. Voor de moderne filosofie van de tijd is Bergson van groot belang geweest, als levensfilosoof, of fenomenoloog, en later met name voor het filosofische werk van Gilles Deleuze. 

Met de behandeling van Bergson geeft Michel Thys’ tweede essay over tijd in de psychoanalyse niet zozeer een andere mogelijke positie naast die vijf uit zijn eerste essay, maar laat hij eerder zien hoe Bergsons taal en denken de beschouwingen uit zijn eerste essay weer in een nieuw licht, in een ander vocabulaire, kan plaatsen. De ‘duur’ bij Bergson is onze innerlijke tijd waarin verleden en heden niet gescheiden elementen zijn, maar een continu wordende veelheid van aspecten die elkaar doordringen en een continuüm vormen. De duur is vergelijkbaar met een droomtoestand waarin ook elementen uit heden en verleden elkaar doordringen, en de orde van de klok of kalender niet langer heerst. In het ervaren in de tijd tijdens psychoanalyse, volgens dit ideaal van de duur, worden verleden en heden niet tegenover elkaar geplaatst, of met elkaar objectief vergeleken of overdacht, maar integendeel (p. 68): ‘Psychoanalytische duur is niet het verleden van het heden afbakenen, afzonderen en opheffen, maar het verleden in het heden ‘oplossen’ en aanwezig stellen.’ Met Bergson, en zijn hedendaagse geestverwant Gilles Deleuze, is in dit tweede essay Thys opnieuw kritisch ten opzichte van de eerste freudiaanse positie uit het eerste essay. De idee dat men van herhalingsdwang af zou moeten komen, door deze bewust te worden, stoelt al op een verkeerd begrip van tijd. Met Deleuze stelt Thys dat herhaling altijd herhaling is van een verschil, en niet van hetzelfde: iedere herhaling produceert een verschil, en -- vrij naar Herakleitos -- nooit is iets hetzelfde. Hier op de mythische achtergrond speelt de titanenstrijd tussen Eros en Thanatos. Thanatos wordt gerepresenteerd door de doodse mechanische dwang van de herhaling die Freud als primair ziet en als werkzaam onderkent bij trauma. Eros is de kant van Bergson, Deleuze en Thys die menen dat in de kuur als duur er iets van verandering, creativiteit of vrijheid ontstaat. (Zie over deze tegenstelling tussen Freud en Deleuze ook Moyaert (2022) [1], die Thys ook geregeld aanhaalt).

Het betreft hier een vrijheid van de openheid van het ‘durende’ innerlijk, dat overigens niet als een individueel project moet worden gezien. Immers, het is juist de aanwezigheid van de ander die ervoor zorgt dat de duur kan bewegen in taal tijdens psychoanalyse. Het is een openheid of opening naar het domein van de geest, een innerlijke ruimte, en staat in contrast met de uiterlijke dingmatige ruimte van de objectiviteit. Een van de onderscheidende kenmerken van Bergsons tijdsfilosofie – in vergelijking met bijvoorbeeld Husserl of Sartre – is het principiële, sterk benadrukte onderscheid dat Bergson maakt tussen ruimte en tijd. Als gevaar voor de menselijke duur, de vrijheid en de creativiteit ziet Bergson ‘de verruimtelijking van de tijd’, diens opgaan in metingen met klok en kalender. Voor de psychoanalyse impliceert dit volgens Thys (69): ‘Overdracht begrijpen als duur vormt een bescherming tegen verruimtelijking en afstandelijke objectivering en faciliteert een in voeling komen met de continuïteit van de onmiddellijke innerlijke ervaring waarin alle affecten en andere psychische objecten elkaar wederzijds doordringen.’

Michel Thys werkt de bergsoniaanse noties en gedachten in dit tweede en langste essay van het boek verder uit door deze te verbinden met het werk van met name Melanie Klein en Wilfred Bion, en deze bespiegelingen vormen voor de geïnteresseerden in psychoanalyse inzichtrijke lijnen die men zou kunnen gebruiken bij het overdenken en verwoorden van de eigen therapieën. 

In het derde essay stelt Thys de taal in de psychoanalyse centraal aan de hand van een lezing van vroeg werk van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben. Aansluitend bij zijn tweede essay stelt Thys dat een spreken dat dicht op de duur zit -- dat een vloeiende mengeling is van herinneringen, mijmeringen en rêverieën -- beter geschikt is om iets van persoonlijke vrijheid en creativiteit te ontplooien dan een taal die afstandelijk is van de persoon, die zich daarmee conformeert aan de discursieve regels van hoe men hoort te spreken, en die zich eerder aan de taal onderwerpt dan met taal zich een eigen stem vormt. Natuurlijk, met taal kan je niet alles zeggen, maar desalniettemin zijn er gradaties in beter geslaagde en minder geslaagde psychoanalytische monologen en dialogen. Met de geslaagde taal, die dicht bij de bergsoniaanse duur ligt, kunnen regio’s van de geest gecontempleerd en verkend worden, waardoor blokkades kunnen worden opgeheven, zaken die zijn verstard en weggestopt weer boven tafel komen, en een zelfgevoel verkregen worden dat soepeler en beweeglijker is. Dit is echter maar één kant van de zaak en deze opvatting over wat er bereikt kan worden in psychoanalyse lijkt wel wat op de eerste positie uit het eerste essay. Met een lezing van Agambens werk over ‘het infantiele’ betoogt Thys dat juist ook een omgekeerde beweging nodig is: naar het stamelen van taal, naar de fragmentering en wanorde in de taal, richting het gebied waar er nog geen taal is, en waar men sprakeloos is. Dit is het domein van het infantiele, dat – opnieuw Bergson indachtig – niet zozeer een toestand is uit het verleden, maar een aan de taal parallelle zone of bedding die over of om het heden heen ligt. Tot slot verweeft Thys het begrip van ‘avontuur’ zoals Agamben dat gebruikt in zijn beschouwingen in dit derde essay over tijd en taal. In dit begrip komen ervaring en verhaal samen; een avontuur kan tegelijk verwijzen naar een onverwachte en spannende reeks gebeurtenissen, als naar het verhaal en de taal zelf waarin die gebeurtenissen zitten vervat. Terwijl Bergson taal vooral ziet als bedreiging voor de duur en de inuïtie, gebruikt Thys Agamben om te laten zien dat het ontstaan van iets nieuws, niet per se uit de zuivere duur of innerlijke ervaring voortkomt, maar dat deze ook in een nieuw woord, een nieuwe frase zich kan voordoen. Tijd als het medium van waaruit iets ongekends en nieuws kan voortkomen, kan worden uitgesproken – denk aan de vijfde positie uit het eerste essay – kan zich uiten in een nieuw avontuur, Thys zegt (p.137): ‘Avontuurlijk zijn de momenten waarop er zich in het hier-en-nu van de sessie iets nieuws reveleert dat niet is terug te brengen tot iets al bestaands.’ 

Het is verleidelijk om de drie essays te beschouwen in het licht van de temporele modi van respectievelijk verleden, heden en toekomst. Het eerste essay is dan vooral een terugblikkende, resumerende studie naar wat er zoals is bedacht door psychoanalytici over de tijd van de kuur. In het tweede ontvouwt zich de bergsoniaanse duur, waarin het verleden als een vloeibaar en veranderlijk aspect van het heden wordt gezien. En in het derde essay – zou je schetsmatig kunnen zeggen – zoekt Thys naar een verwoording van het nieuwgeborene, de verwachting van een nieuw verhaal, een avontuur dat schokt en beangstigend kan zijn, maar dat ook verleidt en hernieuwde geborgenheid kan bieden: de toekomst. Met een dergelijke driedeling doen we het werk in zijn geheel echter te kort; in plaats van het in een drieledige structuur te plaatsen na lezing, doen we het boek meer recht door de continuïteit en beweeglijkheid van Thys stijl te benoemen, waarmee hij tussen kuur, duur en avontuur door laveert.

Dit werk is een pleidooi voor psychoanalyse en probeert de clichés erover tegen te spreken; het draait niet om nieuwe inzichten, nieuwe kennis, of het opdelven en herkauwen van gedane zaken uit een voorbij verleden. In plaats daarvan wil het de verstrikkingen, de vaste patronen en herhalingen van het zelfde doorbreken, en groeien naar een meer vloeibaar, en luchtiger, ervaren en handelen. Vandaar dat dit boek een sterk pleidooi is voor de bergsoniaanse tijd, de innerlijkheid, de mijmeringen en rêverieën. 

Voor wie geïnteresseerd is in de tijdservaringen in psychoanalyse is dit een essentieel boek. Gegrond in een diepe en zorgvuldige doordenking van met name de filosofie van Bergson en Agamben laat de auteur zien hoe het psychoanalytische proces kan verlopen, en hoe het idealiter zou moeten verlopen. Voor het nadenken, ervaren en lezen over tijd buiten de spreekkamer is dit ook een aanbevelenswaardig boek. In zijn strekking lijkt het op werk van Joke Hermsen, die ook het belang van het herinneren en het mijmeren rondom zielenroerselen benadrukt voor een kunstzinnige en creatieve levenshouding in tegenwicht en in contrast met de sociale en economische druk om je te onderschikken aan het regime van de klok en de agenda. 

Wat hierin wel onderbelicht blijft is het belang van de uiterlijke, meer materiële tijd. Natuurlijk, in therapie en zeker in de psychoanalyse draait veel om innerlijkheden, subjectieve ervaringen en taal – Thys stelt zelfs (p.132):  ‘De momenten waar het in een analyse om gaat, zijn taalgebeurtenissen’ – maar therapie heeft ook een aards, materieel en lichamelijk aspect. Het levende feitelijke heden kent niet alleen een innerlijk spiritueel, maar ook een uiterlijk, zintuiglijk aspect. Aan de tijd van de uiterlijkheden besteedt Thys weinig aandacht, hoewel de duiding en het werken aan lichamelijke verschijnselen als grimassen, tics, gebaren en alle andere lichaamsexpressies in veel therapieën volgens mij toch ook gebruikelijk is. De manieren waarop iemand beweegt, gebaren maakt, zich kleedt en gedraagt, heeft een uiterlijk, materieel aspect, een ritme dat meedeint op een soort tijd die niet per se enkel de innerlijkheid, de rêverie of de duur betreft. Maar gezien de precaire toestand van onze innerlijke tijden – in onze tijden van AI, social media en sociale fragmentatie – is het prijzenswaardig dat Michel Thys allereerst aandacht vraagt voor de bedreigde tijden van de psychoanalytische mijmeringen.

Wouter Kusters, filosoof en schrijver

[1] Paul Moyaert (2022). De doodsdrift revisited. Een breuklijn tussen Freud en Deleuze. Boom uitgevers Amsterdam. 

Kuur, duur, avontuur. Drie essays over de tijd in psychoanalyse, 2025, Michel Thys. Amsterdam: Sjibbolet, meer informatie zie hier